Eén van de Stranglersplaten die ik nu pas in bezit heb: op vinyl, eerder dit jaar uit een bak met tweedehands platen gevist. Heb dom genoeg niet opgelet of de binnenhoes erbij zat. Nee dus. Die moet ik toch nog eens op de kop tikken, want op Discogs zie ik dat deze wel degelijk iets toevoegt aan de sobere buitenhoes.
Toch gaat het uiteindelijk om de muziek. Het waren de jaren dat mijn geliefde new wave gladder werd, iets wat eigenlijk wel voor de gehele alternatieve muziekscene gold; punk en metal uitgezonderd, daar werd verkend hoe er nog sneller kon worden gespeeld.
The Stranglers maakten met Feline de omgekeerde beweging, door het steeds rustiger te laten worden. Hitsingles leverde het in Nederland niet op en wat ik erover had gelezen en gehoord maakte mij in de tweede helft van mijn tienerjaren duidelijk dat de band zijn wilde haren kwijt was. Personificatie hiervan was toetsenist Dave Greenfield, die zijn snor had verwijderd. Even wennen. Dat de heren nu consequent in stemmig zwart rondliepen, maakte dat er iets van de alternatieve newwavesfeer behouden bleef.
Over het algemeen kabbelt de muziek rustigjes voort, als een kalm beekje in de zomer. Nergens is het onaangenaam, maar overeind schieten van blijde verbazing is evenmin het geval. Al kun je je erover verbazen dat de dromerige opener Midsummer Night Dream bijna geheel gesproken is. Pas op de afsluiter van de A-zijde, The European Female, duikt iets op wat voor enige opwinding zorgt. Dit dankzij de fraai ingetogen ijle zang van bassist Jean-Jacques Burnel, zijn bijna grommend basgitaartje en de akoestische gitaar.
Verder valt op de eerste helft op dat de drumsound is gaan lijken op de elektronische geluiden en effecten die ik drie jaar eerder bij Joy Division en The Cure hoorde: Jet Black had zijn oude drumkit kennelijk uitgebreid. Dat de elektrische gitaar nauwelijks een rol van betekenis speelt, is met de lagere tempo's de voornaamste reden voor de rust die van de muziek afstraalt. Des te meer ruimte is er voor de toetsen, maar Greenfield speelt anders dan voorheen vooral keurig binnen de lijntjes. De productie, wederom door de band met Steve Churchyard, is gladder dan op voorganger La Folie het geval was.
Na een wat saaie A-kant vreesde ik voor de vaak tegenvallende B-zijde, die veelal meer fillers bevatten. Dat is hier juist níet het geval. Let’s Tango in Paris bevat een aangenaam zes-achtstemaatje. Dan volgen twee nummers waarop de band lijkt beïnvloed door de synthbands uit die periode: op Paradise klinkt bovendien een effectieve akoestische gitaar, een dameskoortje brengt een associatie met The Human League. All Roads Lead to Rome bevat een (in die dagen) hippe en aangename uptempo synthesizerloop.
Blue Sister is fraai met een ietwat eigenzinniger, nerveus synthritme, weliswaar braafjes maar desondanks fris: ingetogen en toch avontuurlijk. In slotnummer Never Say Goodbye klinkt het ritmische toetsenwerk dat zo passend is voor de stijl van Greenfield, wederom speelt zanger Hugh Cornwell aangenaam akoestische gitaar.
Als bonussen vind ik op streaming experimenteler werk waar ik weinig mee kan. Het is ook nooit goed, hoor ik de kritische lezertjes brommen. Is het niet te braaf, dan is het weer te experimenteel. Tja, ik vind deze band op z'n best als ze die twee uitersten weten te combineren in sterke composities.
Wat betreft de elpee met zijn negen nummers: die is aangenaam met een sterkere B- dan A-zijde. Hun debuut voor Epic was uiterst radiovriendelijk, al had Nederland dat niet door; het haalde hier in februari 1983 een schamele #39. In Engeland leverde het wél hits op met European Female als hoogstgenoteerde, namelijk #9. The Stranglers waren echter van trendsetter een -volger geworden.