Grappig dat een paar andere beoordelingen hier spreken van een mooie plaat voor in de herfst. Ikzelf zal deze altijd associëren met de zomer van 2018, die periode van weken zon en droogte. Toen ergens kwam deze plaat op een afspeellijstje bij mij, en op fietstochtjes door de warme stad kwam deze muziek echt lekker bij me binnen. Het gevoel van de hete zon in mijn nek, kleine zuchtjes wind die de geur van stof, barbecue en zonnebrand meevoeren, schitteringen van licht in autoruiten en kanalen, en in mijn oren Dexter Gordon die een lekker potje saxofoon blaast.
Gordon is, hier in ieder geval, geen iconoclast of verbluffende virtuoos als veel andere grote saxofonisten van zijn generatie, maar zijn spel is gewoon enorm prettig om naar te luisteren. Krachtig, lyrisch, zelfverzekerd, speels: altijd met twee voeten stevig in de melodie en een onberispelijk gevoel voor groove in zijn kloten. Hij slalomt door zijn solo's met de flair van een Messi die vier verdedigers dolt om dan met een fluwelen curve de bal achter de keeper te werken.
De rest van de band zit prachtig met hem op één lijn. Drummer Kenny Clarke en pianist Bud Powell hadden toen eigenlijk het meest relevante deel van hun loopbaan er al opzitten. Clarke (erg fijne drummer toch!) haalt moeiteloos weer zijn topniveau. Powell niet, maar die had dan ook een navenant hoog topniveau. Hoe dan ook spat het spelplezier eraf bij deze expats (en één Fransman).
De gekozen standards zijn, net als het spel, niet heel erg wereldschokkend, maar juist die veilige keuzes pakken in dit geval goed uit: in plaats van te experimenteren, laten deze muzikanten horen hoeveel podiumuren ze op hun naam hebben staan. Zonnetje en witbiertje erbij, en alles kwam goed, in die memorabele zomer van 2018 (tenzij zulke zomers vanwege het broeikaseffect het nieuwe normaal worden, in welk geval er in ieder geval voldoende reden is om deze plaat nog wat vaker te draaien).