Dit plaatje heb ik al een tijd in m’n bezit. Het rare is dat ik het eigenlijk blind heb gekocht. Ik was aan het rondwandelen in Fnac in Antwerpen, op zoek naar wat lekkers, en stootte op deze ‘The Devil And I’ van Lone Wolf. Alles aan deze plaat sprak me aan. De artiestennaam, Lone Wolf, in combinatie met de titel van de plaat, gaf me de rillingen. En dan die hoes.. Pas achteraf las ik hier dat het een bewerkt schilderij van Louis David betreft, maar het had meteen mijn aandacht. Ik wenkte een verkoper en vroeg ‘m of dit een nieuwe plaat was, of het om een oudere plaat ging. ‘Deze is vrij recent, dit jaar nog maar uitgebracht’, luidde zijn antwoord. ‘Mooi zo, dan zou dit wel eens de plaat van het jaar kunnen worden!’
Feit is dat, of dit nu werkelijk de plaat van het jaar zou worden of niet, het een overhaaste uitspraak was. Ik had geen rekening gehouden met de inhoud. Wat voor muziek zou het zijn? was een vraag die zich opdrong toen ik thuis was. Dus wat doe je dan? Je geeft ‘m een rondje in de cd-speler. Gek genoeg kan ik de hooggespannen verwachtingen die ik bij deze plaat had, nauwelijks of niet verwoorden. Het was een gevoel dat me overkwam, en zoals men wel weet, een gevoel valt niet altijd in woorden uit te drukken. Maar, een gevoel is vooral een gevoel. Zou dit ook tot uiting komen tijdens het beluisteren van ‘The Devil And I’?
Een antwoord kan ik daarop, na een stuk of 25 luisterbeurten, nog steeds niet geven. De plaat blijft maar doorschemeren, ik krijg er nooit voor de volle 100 % vat op. Het is als de Tantaluskwelling; net als ik denk het te kunnen doorgronden, wordt de plaat weer van me weggetrokken, door een mij onbekende kracht (zouden de goden dan toch echt bestaan?). Ach, alle Grieken ten spijt, het blijft dus een ongrijpbare plaat.
De kracht schuilt vooral in de intensiteit. Die komt voor in verschillende vormen. Op tekstueel vlak, op muzikaal vlak, op spiritueel vlak. Paul Marshall (de man achter dit project) raakt me meer dan bijvoorbeeld een Justin Vernon (van Bon Iver). Je kan de twee qua stemgeluid moeilijk vergelijken, maar het is gewoon zo.
Een kwartiertje Wikipedia leert mij dat Lone Wolf ook onder andere een Kiowa-chief (indianenstam), een Sovjetfilm uit 1977, een dorpje in Oklahoma (genoemd naar die Kiowa-chief, trouwens) en een song van eels (van het album ‘Shootenanny!’) is. Een titel als ‘Russian Winter’ lijkt dan niet helemaal uit de mist gegrepen (misschien een knipoog?).
Dan komen we nu aan bij de muziek zelf. ’t Is eigenlijk een mengelmoes van stijlen. Gitaar speelt als instrument wel de hoofdrol, is het meest prominent aanwezig, maar verder is er ook ruimte voor de piano, de drums (als solide basis natuurlijk onmisbaar), trompet, cello, viool, bugel (of flugelhorn, zoals het in het cd-boekje staat) en French horn. Het gitaar- en pianowerk neemt Marshall voor eigen rekening, verder werkt hij met een aantal gastartiesten, mij allen onbekend. Wat ook opmerkelijk is, is het feit dat er veel sprake is van de zogenaamde “additional vocals”. De mensen die daarvoor ingezet zijn, heeft Marshall ook allemaal keurig vermeld, zelfs, en ik citeer nu letterlijk uit het cd-boekje, “a random guy in a hat”. Ik vond het wel grappig om zoiets te lezen, dus vertel ik het maar bij.
Paul Marshall is een vriendelijk jongen. Zelfs na een hele waslijst van namen in z’n Thank you-lijst, komt dit stukje:
“Hopefully it’s universally understandable that compiling a ‘thank you’ list and mentioning absolutely everyone who has somehow been involved with this album or helped me in any way throughout the process is if not impossible, an incredibly difficult task and so if I have missed your name off the list I do apologise and so obviously – Thank You!”
Vriendelijke jongen dus, zoals ik al zei.
Wat staat er nog in het cd-boekje? Wel, de teksten! Een belangrijk onderdeel van deze plaat. De lyrics variëren van schemerdonker naar pikzwart; de muziek daarentegen klinkt niet altijd even donker, wat soms voor een prettig contrast zorgt (in meerdere mate deed ook Villagers dat op de dit jaar uitgekomen debuutplaat ‘Becoming A Jackal’. Aanrader!).
De nummers zelf dan, want dat is toch de voornaamste reden waarom men een plaat beluistert. Opener is ‘This Is War’, dat muzikaal nog vrij luchtig begint met piano, maar gaandeweg duisterder en vooral dreigender wordt. Fraaie, maar verontrustende zinsneden zoals “I slaughtered her a cow and I’m a vegetarian; that’s not man enough for her”; “The demons are alive en her head; that’s why we have to make sense of every tiny word that she says” en “I’m trying to pretend I won this war between my brain and her brawn; but this is a war I won’t be coming home from”. Of hoe meedogenloos een meisje kan zijn, en hoe radeloos je haar tot in den treure kan volgen, tot je er zelf gek van wordt.
Daarna krijgen we ‘Keep Your Eyes On The Road’ op ons bord, dat weer vrij vrolijk begint, met een introotje, waarna het eigenlijke nummer begint. Wanneer de drums invallen, krijgt het nummer gelijk wat meer dynamiek, en wanneer Marshall begint te zingen, is het helemaal in orde. Meer dan de opener is dit een toonbeeld van zijn kunnen op vocaal vlak. De woede en verbetenheid op het einde (het stuk na “I stay staring at your innocent skin wondering how I fucked this up; but I surely did”) geven me de koude rillingen. Klasse!
‘We Could Use Your Blood’, een tekstueel pareltje van formaat. Vooral in het refrein, waarin wordt weergegeven waarvoor het bloed gebruikt zou worden. De zin “We could use your blood; to paint this house red” is gewoonweg morbide, in die zin dat het geen zin heeft. Je kan er ook gewoon verf voor gebruiken! Sadisme, in een romantisch jasje. De instrumentatie is weer dik in orde trouwens, er wordt een sfeer neergezet die perfect bij de tekst past.
‘Buried Beneath The Tiles’ begint heel zenuwachtig, met tokkelende gitaar, roffelende drums en begeesterend vioolspel. En tekstueel.. tja. Al even begeesterend. Mysterieus, maar toch transparant genoeg om eruit af te leiden dat het niet over koetjes en kalfjes gaat. De ik-persoon als Grote Verwoester, met het amechtige meisje (“Now the air she breaths keeps on trying to leave her for dead on the cold doorstep”). Het is zelfs zo ver gekomen, de herinneringen pijnigen de ik-persoon in zulke mate, dat er extreme maatregelen genomen moeten worden (“Go in through my eyes; just lobotomise; take everything I have”).
Het kortste nummer van de plaat dan. Maar niet het slechtste, belange na niet. ’15 Letters’ is een prachtig, door de gitaar gedragen en door enkele pianoklanken (en viool, even later) ondersteund liedje over een gebroken relatie. Op poëtische wijze (“She did her make up in the reflection of my glassy, glazed eyes”. Prachtig! Die jongen speelt gewoon met taal!) doet Marshall zijn relaas.
Daarna krijgen we een instrumental, die verder op de plaat (in het slotstuk) nog een vervolg krijgt. Desolaat, melancholisch wordt ik ervan, een intense droefenis overvalt me, telkens ik die koele pianoklanken hoor in combinatie met het warme, maar dreigende vioolspel. Wanneer de percussie nog eens invalt, krijgt het geheel nog wat extra suspens (ik vind de percussie op deze plaat trouwens van een erg hoog niveau, doch dit slechts geheel terzijde). Je zou voor minder een bescheiden traantje wegpinken.
‘Russian Winter’ is het volgende pareltje op deze plaat. Een hart meneer? Dat heb ik niet. Siberische koude heerst daar, en ik laat het merken ook (mijn eigen vrije interpretatie van het refrein). Deze song herbergt ook één van de mooiste zinnen van deze plaat: “You didn’t care about the sea; or the hairs on the backs of the necks of your drowning family”.
Het volgende nummer is ‘Soldiers’. Dit nummer ken teen apart begin. Een obscuur, rommelig, aan alle kanten krakend begin van ongeveer 15 seconden, waarna de song als een bol breiwol wordt uitgesponnen, met een fraai “Arcade Fire-moment” voor mij “Now all we know; is waiting for the exit signs to glow; moulding different lives like play-doh; hoping for a lucky day” etc.).
De op één na laatste song is ‘Dead River’, een song die weemoedig en opgewekt tegelijk klinkt. Vrolijk, maar dan op een trieste manier. Marshall klinkt geweldig, hoe hij “Overflow, overflow, overflow” zingt, vertederend. Het gefluit en de op zichzelf staande laatste minuut (galmende klanken die een droeve sfeer opwekken) maken de song helemaal af.
Het laatste nummer is ook een driepunter van heb ik jou daar. Het bouwt verder op de instrumental (zoals de titel ook aangeeft: ‘The Devil And I (Part II)’), met zang dit keer. Het nummer gaat over, nu ja, vertaal de titel gewoon, dan weet je ‘t. de drums symboliseren donder en bliksem, uitgerekend de instrumenten van God de Almachtige, die iedereen, de duivel incluis, in handen heeft, er mee doet wat hij wil, als een willoze speelbal. De duivel als bliksemafleider.
En wanneer de laatste mokerslagen wegvallen, is dit plaatje alweer gedaan. 45 minuten van pracht, droefenis, gitdonkere verhalen, Apocalyps. Maar vooral 45 minuten fantastische muziek.
4,5 sterren