The Octopus is het derde album van het Britse rocktrio Amplifier. Hun muziek valt in een notendop te beschrijven als Pink Floyd meets Kyuss, al hebben ze soms ook wel de neiging om wat meer richting Oceansize te gaan.
The Octopus komt er vier jaar na het lichtjes teleurstellende Insider. Misschien daarom dat de band aardig zijn best heeft gedaan om hype te creeëren. Samen met een klein legertje bereidwillige fans werden op allerlei fora Amplifier topics gestart, steevast door gebruikers met de Octopus-avatar. Dan was er nog wat mysterieus gedoe rond het achterliggende concept (
zie bijvoorbeeld deze redelijk lelijke website) dat naar typische pretentieuze progrock gewoonte over 'alles en niets tegelijkertijd' gaat:
...referencing the human condition, infinity and entropy, everything and nothing. Voor zij die hierdoor wat afgeschrikt worden door dit psychedelisch gedachtengoed: geen nood, dit album is perfect luisterbaar zonder je te verdiepen in alle theorieën, zo heb ik het ook gedaan.
Amplifier werden klaarblijkelijk beïnvloed door het recente succes van Mastodon. Zo had Interglacial Spell probleem op Crack the Skye kunnen staan; al grijpen ze wel vaker terug naar spacerock die als rustig bindmiddel dient tussen de vettige stonerrock. Dat geeft hun de nodige eigenheid, want of ze bij de harde passages het duel aankunnen met Mastodon durf ik te betwijfelen, want Amplifier zoeken iets te zelden de grenzen op. Ze kleuren steevast binnen de lijntjes, met de uitzondering dat je hier wel twee volle uren muziek krijgt voorgeschoteld. Het gevolg is logischerwijs dat de combinatie van de vrij trage ritmes die als een soort oorlogstrommel de strijd verklaren aan je gehoor met de lage gitaarklank en diepe zangstem maken dat het allemaal wat slepend aanvoelt.
Qua klank is het een beetje wennen aan de productie. Het gitaargeluid is merkelijk ruwer, en de drums galmen te veel, waardoor ze nogal hol klinken. Soms komen ze ermee weg, soms ook helemaal niet, afhankelijk van het nummer. Met de koptelefoon heb ik bij momenten ook wat last van de basgitaar, die wat lijkt te resoneren. De muzikale
easter eggs (einde Utopian Daydream, intro The Wave) hadden voor mij dan weer niet gehoeven, ze storen hier meer dan dat ze extra's bieden door hun ongewild komisch karakter. Dieptepunt hiervan is zeker te vinden op 'Interstellar', waar Sel Balamir's zang "
go faster than a laser beam" wordt vergezeld van, jawel, het zogezegd geluid van een laserstraal. Ugh...
Muzikaal is Amplifier er nog wat op vooruit gegaan. Het is indrukwekkend dat ze dit met z'n drieën in elkaar hebben gestoken, want het gitaarspel is gevarieerd en zeker geen typische powerakkoord-rockmuziek. De percussie is wat simplistischer, maar drummer Matt Brobin weet de muziek wel op de juiste momenten lekker op te zwepen.
De link die hier werd gemaakt met The God Machine kan ik beamen, vooral wat betreft de rustige stukjes sfeerschepping die ze inbouwen. De intro van het titelnummer is een uitstekend voorbeeld hiervan. De kalme passages zijn een hypnotiserende mix van gitaargetokkel en quasi fluisterende zang. De galmende drums in combinatie met het kabbelende gitaarspel doen me denken aan een schip dat stuurloos ronddrijft op zee, bij valavond, en plots begint iemand een horrorverhaal te vertellen over de kraken. Zoals het venijn dan ook schimmerig onder het wateroppervlak verstopt blijft, zo bouwen ze de spanning hier geniaal op om dan tot uitbarsting te komen in feedbackrijke geluidsorgieën die te vergelijken vallen met Feedbacker van Boris (ja, ik heb die vergelijking net gemaakt). Waarlijk een meesterlijk nummer.
Tweede uitschieter op de eerste cd is 'Trading Dark Matter on the Stock Exchange'. Met een dikke elf minuten is het het langste nummer van het album, en al vanaf de speelse gitaarintro is het raak. Fantastisch opbouwend nummer met dito gitaarsolo, een sfeervolle mastodont (

) die zich kan meten met het beste van deze band.
De tweede cd vind ik voorlopig nog wat minder, al kan dat ook zijn omdat ik die minder geluisterd heb. Met name 'Bloodtest' vind ik maar een fillertrack, en het hierop volgende Oscar Night gaat nogal de melige toer op. Het aansluitende embryo is letterlijk een fillertrack, en zo heb je dus 13 minuten waarop het album wat inzakt. Gelukkig is de afsluiter Forever and More weer een positieve uitschieter, vooral door het intensief drumwerk.
The Octopus is een monsterlijk album, twee uur zware hardrock die duidelijk beïnvloed is geweest door stonerrock. Geen makkelijke zit dus, en kwalitatief niet altijd even consistent, maar wel een aanrader voor fans van pakweg Tool en recente Mastodon. Waarschijnlijk gaat het in de toekomst allemaal vlotter binnen gaan, als het hele album wat heeft kunnen groeien, en alles beter op zijn plaats is gevallen. Tot dan houd ik het op 3.5*, waarvan zeker een halfje voor de moeite is.