‘Gallantry’s Favorite Son’, de derde plaat van Scott Matthew, is alweer een pareltje geworden. Matthew blijft gewoon doen waar hij goed in is; gouden melodieën schrijven, en fraai omlijsten met zijn kwikzilveren stemgeluid. Al zijn er ook verschillen met zijn twee vorige platen. De toon is net wat luchtiger, alsof Matthew het wat makkelijker heeft nu, en toch wat geluk in zijn leven heeft gevonden. ‘Felicity’ is daar misschien wel het beste voorbeeld van; een vrolijke, schijnbaar zorgeloos klinkende verjaardagswens aan een vriendin, waarin ie zelfs aan het fluiten slaat.
De twee songs die daaraan voorafgaan, klinken nochtans even somber als eerder werk. En, wat ik persoonlijk ook niet onbelangrijk vind, ze klinken even briljant. ‘Black Bird’ is een wondermooi nummer, dat weet te betoveren, en net niet tot de categorie van uitzonderlijke popsongs behoort, waarin mijns inziens ‘German’ van deze artiest thuishoort. Meteen is het duidelijk dat Matthew exact dezelfde wapens gebruikt om zijn luisteraars te ontwapenen; de strijkers spelen nog altijd een hoofdrol, en dat is maar goed ook. ‘True Sting’ klinkt ook niet al te vrolijk; “So it’s goodbye, darling, goodbye’ zingt Matthew, op zulk een ernstige manier dat je niet anders kunt dan ‘m te geloven. Het spaarzame pianospel brengt een frisse toets, en is zeker een meerwaarde voor mensen die op de details letten.
Dat is belangrijk bij Scott Matthew, de details. Je merkt het gewoon dat die man voor z’n muziek leeft, en z’n songs op zo’n manier smeedt dat ze blijven hangen, en dat ze ontroeren. Jawel, de man is begiftigd met een prachtige stem, maar daar alleen red je het niet mee. Inlevingsvermogen en intensiteit, daar gaat het om, en dat toont ie nu al voor de derde keer op rij. Nummer als ‘Duet’ en ‘Buried Alive’ bewijzen dat, en bewijzen ook dat Matthew gewoonweg erg mooie songs schrijft. Hoe je jezelf ook voelt, je kan altijd troost zoeken in ’s mans muziek. De ene keer pakt hij je in met z’n banjo en lichthese stem (sommigen vergelijken hem op dat vlak met David Bowie), de andere keer met een fraai gearrangeerd dameskoor, gekoppeld aan een illuster sfeertje onder een dito titel (‘Buried Alive’, ook de tekst is niet bepaald optimistisch te noemen).
‘Devil’s Only Child’ klinkt weer wat opgewekter (al zou je het niet kunnen afleiden uit de titel), en ook op tekstueel vlak valt daar iets voor te zeggen. Er spreekt een soort van hoop uit de tekst. “Today is the first day, of another life; it may be just as tragic, but at least it’s mine” zingt Matthew. Een nieuw leven, dat vernieuwde hoop met zich meebrengt. Het zou even erg kunnen zijn als het vorige leven, maar je leeft toch maar mooi, en daar gaat het om. ‘Sinking’ wordt ook weer opgeluisterd met een prachtige koorzang op de achtergrond. Kippenvelmoment.
Ook ‘The Wonder of Falling in Love’ is een liedje dat wordt meegedreven op het hoopvollere gevoel dat Matthew uitdraagt. Hij vertelt op een erg mooie manier hoe je verliefd wordt, en wat het met je doet. De tegenstem probeert hem over de streep te trekken (“Why are you crying?; the wonder of falling in love”), de hoop aan te wakkeren. En daarvan verdenk ik Scott Matthew zelf ook (niet negatief bedoeld overigens); hij probeert zichzelf op te trekken aan zijn muziek, en dat lijkt langzaam te lukken.
‘Seedling’ vind ik één van de beste songs van Scott Matthew tot nu toe, al valt hij op zich niet zo erg op hier. Zware toetsaanslagen op piano, Matthew’s van emoties barstende stem, sobere strijkers strijden op de achtergrond een onhoorbaar veldslagje, donker tegen licht. Hard tegen onzacht. Deze song in het bijzonder doet me nadenken over de relativiteit van het heden, en het belang van de toekomst. ‘Sweet Kiss in the Afterlife’ klinkt weer wat opgewekter, maar is toch vooral een vergiftigd geschenk. “So you go on your way; I’m happy to wait; I’ll wait” krijgen we te horen. Maar je kan niet eeuwig wachten, natuurlijk.
Afsluiter ‘No Place Called Hell’ brengt nog een nieuwigheid: Scott Matthew fleurt de song op door van zijn stem een trompet te maken. Dat klinkt erg mooi in combinatie met de vrouwenstemmen en het banjogetokkel. Matthew stelt belangrijke vragen (“are you scared ‘cause you’re losing control; are you scared ‘cause you’re losing that hold”), en stelt dat de hel niet bestaat. Een opvatting die niet genegeerd kan worden.
En zo is ook ‘Gallantry’s Favorite Son’ een erg mooie plaat geworden. Het verschil met de vorige plaat is dat er niet echt een uitschieter is, zoals ‘German’. Daarom krijgt deze ook net een halfje minder. Een carrière vol viersterrenplaten, met af en toe eens een uitschieter; zo zie ik het oeuvre in wording van Scott Matthew. Als hij zo blijft voortdoen, zal hij mij in ieder geval niet gauw gaan teleurstellen.
4 sterren