Een debuut met twee gezichten. Wat de eerste plaatkant betreft laat de boogie-sound inclusief melige piano (van de niet vermelde Matthew Fisher van Procol Harum trouwens, volgens Andy Powell) in Blind eye me volstrekt koud, en de coupletten van Queen of torture zijn bijzonder matig, maar vooral de zang is me een doorn in het oog – ze zingen niet vàls, maar er zit gewoon geen persoonlijkheid in die stemmen, dus ze brengen eerder de woorden op de juiste toonhoogte voort dan dat de zangpartijen iets aan de nummers bijdragen, en de samenzang op identieke toonhoogte van Errors of my way komt op mij nogal bloedeloos en saai over.
Maar dan de gitaarpartijen... op kant 1 al indrukwekkend, met de subtiliteiten van Errors of my way als hoogtepunt, maar op kant 2 echt fantastisch, in twee lang uitgesponnen nummers die elke seconde laten tellen (met uitzondering van de laatste twee minuten van Handy met die melige jazzy coda en dat flauwe ge-scat), en met zang die bij de onderkoelde melodielijn van Phoenix juist wèl past. Die tweede kant doet de enigszins wisselvallige eerste kant helemaal vergeten, met een sound die heerlijk clean en toch warm is, ondersteuning van een uitstekende ritmesectie, geen overbodige produktionele foefjes of blazers of (godbeterehet) dameskoortjes, alles strak en helder, en bovenal een gitaarsound die het ideale geluid benadert. Een eerste aanzet op weg naar de perfectie van Argus ? Welnee, half belofte en half inlossing.