Martin made me an offer I couldn’t refuse...

Dus ik kom me bij de promotiecampagne van Hans voegen. Laat allemaal die nieuwste Madonna maar even liggen. Muzikaal MuMe-talent moet immers gehoord worden.
Niet de minsten worden op
New Fuses, Old Sticks gecoverd: o.a. Don Nix, Johnny Otis en Willie Dixon. Nu wordt er niet direct voor de meest bekende nummers van hen gekozen, maar het gevaar loert natuurlijk dat je wordt vergeleken met de grootheden zelf en de ellenlange lijst van artiesten die je voorgingen. Er worden dan ook nog drie eigen nummers tussen gezet. Jezelf binnen de bluestraditie plaatsen is daarmee nooit zonder risico, maar Smokin’ Dynamite komt er goed mee weg.
‘Black Cat Moan’, met een stem die hint naar Harry Muskee in z’n latere jaren, opent het vuur en laat de volumeknop al geleidelijk verder opengaan. De band bestaat uit vaardige muzikanten, waarbij de stuwende baslijnen van Martin altijd aanwezig zijn. Ik was van plan om de gitarist te beoordelen aan de hand van de eerder besproken Mike Bloomfield-rating (
Mike Bloomfield and Al Kooper - The Live Adventures of Mike Bloomfield and Al Kooper (1969)), maar dat zou zinloos zijn. Je vergelijkt Granny Smiths ook niet met Goudreinetten.
Het is veelal opgewekte, vlotte bluesrock in de lijn van bijvoorbeeld Ten Years After en The J. Geils Band. Conventioneel, maar niet gemakzuchtig. Zo zijn er af en toe net wat funky nuanceverschillen. De toevoeging van een harmonicaspeler zorgt voor een rijker, organisch geluid. Hij kan dan ook een aardig potje blazen!
Er is wel een interessante paradox gaande. Enerzijds is het hoorbaar dat het hier om een hobbyproject gaat, maar tegelijkertijd is de productie goed verzorgd en sluit deze aan bij het spontane muzikale karakter. Terwijl veel bluesbands nogal eens te geforceerd spelen, hoor je hier juist een prettige ongedwongenheid. Vroeger hadden bluesmuzikanten dat nodig ter expressie van zichzelf. Smokin’ Dynamite grijpt die vrijheid echter gewoon omdat het kan en ze er plezier in hebben. Het leidt tot een overwegend luchtigere vibe, maar ergens ver weg hoor je dat het vanuit dezelfde intentie komt.
Je hoort het onderlinge spelplezier en ergens in je achterhoofd zit het innemende idee dat mensen die je zomaar op straat zou kunnen tegenkomen ook hun ding kunnen doen, zonder alle showbizzheisa. Het draagt toch bij aan je beleving van een plaat.
Het is een uitnodigende cd met het zomerse weer voor de boeg. Ik heb eigenlijk alleen niets met ‘Jumping at Shadows’. Deze vorm van blues waardeer ik in ’t algemeen niet. Het is mij te gelikt en de zangstijl bevalt me ook niet. Het haalt de vaart bovendien een beetje uit het album.