Vanaf 1979 ging ik mij al lezende inwerken in de wereld van mijn favoriete muziek, te weten hardrock en new wave. Met zoveel mogelijk de radio aan. De tijdschriften Muziek Expres, Muziekkrant Oor en soms de NCRV-gids (de pen van Skip Voogd) fungeerden als gids. Bovendien leende ik uit de bieb de Popencyclopedie van Oor, die ik letterlijk van A tot Z las. Hetzelfde gold voor Popzamelwerk, de catalogi van albumreleases per jaar van Jos Stikvoort. Allemaal kleine lettertjes, over fanatisme gesproken...
Samen met een muziekmaatje besprak ik dit alles, later kwamen daar anderen bij. In de pauzes op school spraken we over albums, wie de beste zanger of drummer was, et cetera. Een meisje kwam ooit bij ons staan en vroeg na afloop van de pauze verbaasd: ‘Praten jullie alleen maar over muziek?’ ‘Ja,’ antwoordden we enigszins bedremmeld.
Mijn maatje en ik waren op zoek naar de beste gitaristen. Eén die ontzettend goed scheen te zijn was Rory Gallagher. In de fonotheek stond Stage Struck. Enkele liedjes vond ik goed, met name Wayward Child, Moonchild en Shadow Play. Man, wat kon hij spelen! Het einde van de plaat, hoe de muziek wordt weggedraaid na zijn afscheidsgroet: schitterend vonden we dat, enthousiast spraken we erover.
Maar deze puber was ook kritisch: dat er geen slaggitarist was, maakte dat de muziek tijdens solo’s niet hard genoeg was voor mijn smaak. De hese zang van de man was sympathiek, maar niet echt krachtig, oordeelde ik. Zo kwam Gallagher in mijn hoofd als een goede middenmoter. Ik denk dat ik indertijd tweeëneenhalve of drie sterren aan deze plaat had gegeven.
Toch bleef hij mijn aandacht vragen. In 1995 was ik zelfs zwaar teleurgesteld toen hij op het laatste moment afzegde voor een concert in Tivoli, Utrecht. Later dat jaar zou hij overlijden, ik zou hem nooit live zien. Hoe jammer dat was, drong twintig jaar later opnieuw tot mij door.
In 2014 heb ik gedurende de zomer zijn hele catalogus gedraaid, van een collega gekregen op een mp3-cd. Toen pas landde de man goed. Ik werd door de intensiteit en variatie aan stijlen zijn muziek ingezogen. In platenwinkels staat zijn muziek bij blues, wat me een beetje boos kan maken. Natuurlijk, dit genre loopt als een rode draad door zijn muziek, maar zijn authentieke aanpak is zo ontzettend veel breder. Daar komt bij dat hij één van de weinige gitaristen is wiens solo’s mij kunnen ontroeren. Ik word er dan al genietend stil van.
Zoals op dit Stage Struck, waar hij een hardrockkoers vaart, meestal ver weg van de bekende bluesschema’s. Drummer Ted McKenna is ook niet de typische bluesdrummer, ik zou ‘m niet veel later tegenkomen in de band van Michael Schenker. Gallagher soleert als een malle en de band, met vaste bassist Gerry McAvoy, staat als een huis. Powertrio 2.0.
Mijn favoriete nummers van toen zijn dezelfde gebleven, de bewondering is echter gegroeid. Niet alleen voor zijn gitaarspel, tevens voor zijn teksten. Wayward Child bijvoorbeeld, zo heb ik mij regelmatig gevoeld en ik ken diverse mensen op wie de poëtische tekst van toepassing is. Of de romantiek in Moonchild; dit is niet zomaar een liedje waarbij hij een tekstje schreef. Ik kan me niet anders voorstellen dan dat hij hier een specifieke vrouw op het oog had. Gallaghers oprechte stem raakt me tegenwoordig extra, fascinerend dat hij niet de standaardstem had die je in (hard)rock nogal eens hoort. Heerlijk hees, soms bijna pratend, mij soms herinnerend aan Phil Lynott, die andere Ier.
Veel fans gaan voor zijn eerdere werk. Tegelijkertijd heeft de man geen slecht album gemaakt, ook niet in zijn latere jaren, waar invloeden als folk en zydeco hun invloed deden gelden. Er valt altijd veel te genieten, neem bijvoorbeeld zijn akoestische werk.
Laat onverlet dat dit knallende werkje mijn favoriete Rory is gebleven. Extra leuk dat er op streaming inmiddels drie bonustracks zijn, te weten Hellcat (hierboven op de tracklist van MuMe niet vermeld), Bad Penny en Key Chain. Maar ook met de oorspronkelijke acht liedjes een klassiekertje.