Dit album lijkt soms meer op de eerste soloplaat van Keith Emerson waarbij hij hulp heeft gekregen van Lee Jackson en Brian Davison, zeker tijdens het openingsnummer wanneer hij bijna tien minuten mag improviseren terwijl zijn collega's zich beperken tot een klein basje en een tamboerijn. Op de rest van de plaat komen de mannen van de ritmesectie echter wat meer in het spel voor, en wanneer Emerson op bijvoorbeeld Tsjaikovski's Pathétique – Third movement los gaat op zijn Hammond levert Davison daar toch een vrij stevig fundament bij. Jammer van die lelijke schreeuwzang van Jackson op My back pages, en doordat ik pas helemaal op het einde van het laatste nummer iets van applaus hoor lijkt dit album wel tijdens de huidige pandemie opgenomen te zijn, maar het niveau van musiceren is hoog, het energiepeil zakt eigenlijk nergens in, en ondanks alle gefreak en excessen en bombast blijf ik toch de volle 40 minuten aandachtig luisteren. Knap, die Emerson is wel een wonderbaarlijk toetsenist; sinds ik in ELP ben gedoken ben ik van hem steeds meer onder de indruk geraakt, en nu ik ook de vijf platen van The Nice heb leren kennen kan ik absoluut niet zeggen dat die band "slechts een voorstudie was". Misschien zitten er af en toe wat hobbels en wat rare plekken op hun albums, maar het geheel ademt toch de sfeer van een muzikaliteit die altijd de grenzen opzoekt, daar vaak (en met duidelijk genoegen) overheen gaat, en daar dikwijls nog mee wegkomt ook.