jkbb
Wat zitten relativeren sinds het laatste bericht, maar nog altijd is voor mij duidelijk dat er maar weinig in het roots genre deze plaat kan overklassen, alleen de Great Lake Swimmers eigenlijk. Is deze plaat in dezelfde stijl als deze band? Nee, Phosphorescent is rauwer, donkerder dan elke andere artiest die ik in dit genre ken: donderende elektrische gitaren, diverse synths denderen door de nummers heen.
Van dit alles is in het eerste nummer, Salt & Blues nog niet sprake. Lieflijk is eigenlijk eerder het woord dat bij dit nummer in m'n hoofd rondspookt, met zijn akoestische gitaar en accordeon, met wel een scherp, krachtig einde.
Dan begint deze plaat voor mij eigenlijk pas werkelijk. Where to Strip is waarschijnlijk wel het zwaarste nummer dat ik ken met z'n donderende elektrische gitaar en niet altijd even strakke ritme. Het beste nummer van deze plaat.
Bullet zorgt weer voor wat verlichting en bekijkt de hele zaak meer vanuit een 'band' oogpunt. Het tempo ligt hoger, het ritme is strakker, en de instrumentele sectie is erg fraai.
Waarna zich de eerste tweeluik voordoet: Little. Het eerste deel is de introductie, welke ergens buiten lijkt opgenomen, maar het draait 'm hier werkelijk om de tweede. Een prachtig opgebouwd nummer, dat steeds in kracht toeneemt tot de haast zuigende gitaren aan het eind. Lijkt een beetje op post-rock (al heb ik mezelf voorgenomen die term nooit meer te gebruiken.)
How Far We All Come Away is het andere grote hoogtepunt. De emoties borrelen zich maar op om ze uiteindelijk los te laten in een van de meest overweldigende climaxen die ik ken. Wat een gevoel zit er in de stem van Houck hier, en op de hele plaat overigens.
Remain daaropvolgend is nog wel de meest verhalende track op A Hundred Times or More. Veel kan ik er eigenlijk niet uit opmaken, maar het klinkt fascinerend.
Het tempo gaat dan weer omhoog, met Last of the Hand-Me-Downs. De eerste keer dat Houck niet de enige is die zingt en het begint zowaar haast vrolijk te worden met dit nummer.
Het venijn zit 'm echter duidelijk in het staartje, met Pretty. Het eerste deel doet heel erg de gekwelde man beelden in me opkomen. Helemaal alleen met enkel een akoestische gitaar ergens in zijn huis in de wildernis van Amerika zijn verhaal vertellend. Mooier dan dit wordt het mij vaak zelden. En als het nog niet genoeg was dendert daar het tweede deel overheen. Oneindig lijken de heren erop los te gaan jammen, alle opgekropte gevoelens eruit donderend. Helaas, ook hier komt een einde aan, waarna ze ons alleen laten in dezelfde wildernis waar ze in speelde, bij de krekels en de eenzame trein ergens ver van ons vandaan.
Magistraal einde aan een al even magistrale plaat. Niks minder dan 5*