Het jaar 2000. Men was bang voor een digitale crisis, omdat jaren die als 99 waren genoteerd, zouden terugspringen naar 00. Ga preppen, was het devies. Op nieuwjaarsdag constateerde ik bij enige oliebollen dat ik dat terecht niet had gedaan.
Ik was druk met een gezin met vier jonge kinderen, met hardrock en metal was ik al enige jaren klaar. En toch. Als oude vrienden als David Coverdale met nieuw werk komen, is dat interessant.
Na de hoogtijjaren '80 was hij in de jaren '90 in een gat gevallen: wie ben ik, wat kan ik? Het eerste herstel was er met de herontdekking van de loeiharde bluesrock, getuige het album dat hij in 1993 uitbracht met Jimmy Page van ooit Led Zeppelin. Vervolgens maakte hij soloalbum
Restless Heart (1997), dat wegens contractuele verplichtingen tevens onder de vlag van Whitesnake moest worden uitgebracht.
Met de titel van het onder eigen naam uitgebrachte
Into the Light geeft hij aan dat hij zich had hervonden. Dit met vaak lome blues, waarin hij nauwelijks de toppen van zijn longen zoekt: de hoge schreeuw is schaars. Gelukkig.
Ik kan genieten van dit album. Weliswaar herken ik wat
MetalMike in juni '23 schreef, onder meer
"Ik had gehoopt op een plaat met Soul en misschien weer een beetje de Gospel-feel die de solo platen hadden (...)". Het is inderdaad niet retro geworden in de stijl van zijn eerste solowerk, direct ná Deep Purple. Maar iets van de loomheid van de eerste jaren Whitesnake (de jaren met gitaristen Moody en Marsden) proef ik wel degelijk.
Het instrumentale titellied opent 77 seconden lang (kort!) de plaat en blijkt de opmaat naar het slepende
River Song, dat iets heeft van Purples
Mistreated. Coverdale zingt heerlijk ontspannen, bluesgrootheden als Muddy Waters en John Lee Hooker noemend. Hij had deze ode aan Jimi Hendrix al zo'n twintig jaar liggen, getuige
dit interview destijds bij Melodic Rock. Gitaarwerk van Doug Bossi en Earl Slick.
Op de old-school bluesstamper
She Give Me speelt Reeves Gabrels (ex-David Bowie, nadien bij The Cure) op de zes snaren, met wie het uitgroeit naar een uptempo climax.
Mede dankzij het gitaarspel van Dylan Vaughan en het orgel van Mike Finnigan in
Don't You Cry heeft dat nummer een jaren '70-gevoel, alsof het is geïnspireerd door
All the Young Dudes van David Bowie / Mott The Hoople.
De strijkers plus mandoline in het akoestische
Love Is Blind bevallen mij eveneens goed. Met het stevige
Slave hoor ik voor het eerst iets dat lijkt op de harde kant van Whitesnake, heerlijk nummer. Mondharmonica en honkytonkpiano in
Cry for Love, blue eyed r&b in de stijl van Frankie Miller.
Living on Love is stevig met elektrische slidegitaar in de stijl van Micky Moody, qua zanglijn niet zo pakkend.
Rockballade
Midnight Blue is evenmin spannend, de ingetogen remake van
Too Many Tears van de voorganger bevalt mij echter goed. Op aangeven van zanger Chris Isaak een poging om het nummer in de stijl van Roy Orbison te doen, getuige
dit interview bij Eon Music.
Don't Lie to Me is na alle melancholie een verrassend felle rocker, eentje die goed bevalt bovendien. Eén van de nummers die hij schreef met Earl Slick. Wel valt op hoe snel Coverdales stem schel wordt als hij kracht zet. Het ingetogen slotlied
Wherever You May Go is een pareltje, mede dankzij de stem van Linda Rowberry. En dat zegt iemand die niet van ballades houdt...
Ik leerde David Coverdale begin jaren '80 kennen als de romantische, bronstige hengst van Whitesnake. Op
Into the Light is hij verrassend kwetsbaar, een kant die hij niet eerder zo sterk liet zien. Ja: fijn!
Ook dit album verscheen nadien onder de vlag van Whitesnake, in dit geval als onderdeel van
The Solo Albums in een andere trackvolgorde en zonder het titelnummer. Zie hierboven wat
Wyverex op 30 oktober 2024 schreef.