Wat was de eerste plaat van Thin Lizzy die op mijn draaitafel belandde? Waarschijnlijk
Live and Dangerous. Ik heb ‘m tegenwoordig op cd, met als voordeel dat er liner notes van NME-journalist Stuart Bailie bij zitten.
Net als hierboven op MuMe vertelt ook hij over de kritiek die er indertijd was, dat dit “geen echte liveplaat” zou zijn. Ook hij is niet onder de indruk van de argumenten van de zuurpruimen: het zijn vooral foutjes op gitaar, bas en achtergrondzang die zijn gerepareerd. Producer Tony Visconti was er zeven weken mee bezig en moest daardoor opnamen met David Bowie uitstellen, lees ik in de biografie
Cowboy Song (2016) van Graeme Thomson.
Omdat alleen de titel
Live te onopvallend was in die hoogtijdagen van dit genre, werd
…and Dangerous aan de titel toegevoegd. Manager Chris O'Donnell wilde zo de spannende, romantische bandietenkant van de band laten uitstralen, vertelt de biografie. Niet dat de bandleden hiervan wisten, maar de verkoopcijfers zouden spoedig hun onvrede stillen: de dubbelaar bracht Lizzy’s definitieve doorbraak. In sommige landen weerhield alleen de soundtrack van
Grease deze furie van de #1-positie in de albumlijst.
Zojuist de plaat (op cd) weer eens gedraaid. Geen twijfel mogelijk: dit blijft de absolute top. De songs zijn krachtig en gevarieerd met die prachtige twingitaarharmonieën, om elkaar heen draaiend als de draden van een Keltisch-Iers wandkleed. De ene na de andere topsong komt langs, van stevig tot ingetogen. Mede dankzij de folkinvloeden is de variatie enorm.
Alleen al het openingsakkoord van
Jailbreak en dan een tekst als een thrillerscript… Daarna
Emerald, misschien het startpunt van folk- en vikingmetal met zijn wervelende gitaarlijnen en historische verhaal. In
Cowgirl’s Song en later de
Cowboy Song hoor je de romantiek van het witte doek.
Massacre, nog zo’n beschrijving van een veldslag, is donker en dreigend met fenomenaal drumwerk.
The Boys Are Back In Town zou in de V.S. iedere keer een radiohit worden als troepen terugkeerden van overzeese missies, zoals ik daar begin jaren ‘90 meemaakte.
Don’t Believe A Word is alleen al vanwege de openhartige tekst een juweeltje.
Zelfs
Dancing In The Moonlight past hierbij, met daarin een saxsolo van John Earle van pubrock- / waveband The Rumour. Een vrolijke popsong tussen alle ronkende gitaarrock, opnieuw over de bioscoop.
Laat ik niet vergeten de knetterende gitaarsolo’s te noemen, belangrijke ingrediënten in Lizzy’s recept: een delicatesse, op deze plaat voor het eerst moddervet vastgelegd.
Met kant D had en heb ik iets meer problemen, omdat ik de meeste composities daar wat minder vind. Toch valt ook hier één en ander te genieten: in
Sha La La zit een heerlijke drumsolo van één van de meest onderschatte drummers ooit, Brian Downey: hij doet hier veel met dubbele basdrum. Motörheads Phil Taylor staat ten onrechte te boek als de uitvinder hiervan, er zijn vroegere voorbeelden. Bekijk ook eens
dit filmpje, met een fan die tijdens de solo uit zijn dak gaat.
De mondharmonicasolo van Huey Lewis, toentertijd in het voorprogramma van Lizzy, is fijn, maar
Baby Drives Me Crazy duurt me te lang. Het afsluitende oudje
The Rocker, uit hun eerste jaren als trio, is dan weer helemaal top.
Wat me vandaag opvalt: een sterke kant van Lynott was dat hij “iedereen” die hij kende erbij betrok: net als Earle op kant B krijgt ook Lewis zijn spotlight. Hints naar de brede muzieksmaak van Lynott, later tot uiting komend in zijn solowerk. Dat Lynott behalve de bandleden ook de roadcrew in het zonnetje zet, is veelzeggend.
Bijzonder is dat je de sterke liefde van de fans proeft, vooral als Lynott hen op (alweer!) kant D uitdaagt en zo het publiek op positieve wijze opzweept. Visconti vond dit terecht relevant genoeg om op plaat te zetten.
Diens perfectionisme hoor ik terug in de cd-versie, die opnieuw is gemixt: het geluid aan het einde van de originele plaatkanten loopt nu naadloos door in dat van de volgende. Prettig.
Deze plaat, ergens in 1981 door mij ontdekt, smaakte naar veel meer. Wordt vervolgd.