Met: Miles Davis (trompet); Wayne Shorter (sopraansax); Joe Zawinul, Chick Corea, Herbie Hancock (elektrische piano's, Zawinul wellicht ook orgel?); John McLaughlin (gitaar); Dave Holland (bas); Tony Williams (drums)
Ik reken dit tot mijn favoriete Miles Davis-albums, wellicht wel de beste (tot nu toe althans). Dat is eigenlijk wel opvallend omdat ik verder weinig heb met elektrische jazz of 'fusion'. Niet dat ik mezelf een expert wil noemen, maar ik trek toch het meest naar akoestische jazz.
Toch vind ik dit echt een bijna perfecte plaat. Maar wat maakt hem precies zo goed? Het is lastig te zeggen, met een plaat die nooit echt uit de bocht lijkt te vliegen. Rustig wordt er geweven aan een geluidsdeken waar het lastig is een duidelijke structuur of idee in te ontdekken, zonder dat het ooit in de buurt komt van 'free jazz' of iets dergelijks. Het is ook nauwelijks los zand, zeker als je weet dat Davis en producer Teo Macero deze twee tracks aan elkaar knipten en plakten uit verschillende opnamen, als stukjes van een puzzel. Joe Zawinul, initiator van het titelstuk, vond later dat ze zijn oorspronkelijke idee een beetje hadden verneukt, en hem te weinig credits hadden gegeven voor zijn bijdrage.
Een beetje controverse hoort bij een Davis-plaat, natuurlijk. Zoals Davis zelf stelt in zijn autobiografie stelt: 'Het werkte, en dat is het enige dat belangrijk is.'
Sodeju, ja. Die dromerige toetsen, dat broeierige gitaarspel van McLaughlin, de zware basriffs van Dave Holland, Williams en Davis die helemaal opgaan in hun spel, poeh, zelfs de wat weifelende sopraansax van Wayne Shorter lijkt helemaal op zijn plaats in deze fantastische luistertrip (en dat is een clichéterm die ik normaal toch echt probeer te vermijden). Ik snap nog steeds niet wat ik er zo mooi aan vind. En ik zou hem na hernieuwde kennismaking bijna tot 5* verhogen.