In 1964 verhuisde Michael Mantler van zijn vaderland Oostenrijk naar New York. Daar aangekomen richtte hij de Jazz Composer's Orchestra Association (JCOA) op om composities voor jazzorkest te promoten. Samen met Carla Bley vormde hij tevens het Jazz Composer's Orchestra, een all-star jazzorkest vol grote namen. In april 1965 kwam het debuut
Communication uit (Op het Nederlandse Fontana-label). In juni 1968 volgde het tweede, titelloze album (al wordt het album op diverse internetpagina's Communications genoemd, waarschijnlijk omdat 5 van de 6 tracks deze naam dragen, maar in feite incorrect). Het album bevatte 5 'free form' composities voor orkest met solist. Drie jaar later zou dit orkest trouwens nog verantwoordelijk zijn voor een ander hoogtepunt van de avant-garde jazz: Carla Bley's
Escalator over the hill.
De muziek op dit album is, in één woord, overdonderend. De solisten spelen allemaal op de top van hun kunnen, en de composities van de pas 25-jarige Mantler, die veel ruimte laten voor improvisatie maar de soms haast exploderende dynamiek van de nummers toch meesterlijk in toom houden, bieden een ideale fundering waarop de muzikanten hun inspiratie kunnen botvieren. De intensiteit van deze muziek is bij tijd en wijle echt zenuwslopend. De fenomenale opener
Communications #8 en het korte
Preview zijn hiervan geweldige voorbeelden, maar de spanning bereikt pas echt zijn hoogtepunt als Cecil Taylor in het laatste nummer,
Communications #11, achter de piano plaatsneemt. Ik verval niet graag in superlatieven, maar hier kan ik het toch even niet laten: deze man zet in dit 34 minuten tellende nummer de meest formidabele muzikale prestatie neer die ik ooit hoorde. Pianospelen krijgt hier een nieuwe betekenis. Mijn mond valt iedere keer weer wijd open.
The jazz composer's orchestra bevat muziek met joekels van kloten, maar zeer zeker ook met hersens en, last but not least, een ziel. Veel meer heb ik er niet over te zeggen: dit moet worden beluisterd om te worden begrepen (of in ieder geval geloofd). Hieronder heb ik een overzichtje met wat info over de muzikanten van dienst in elkaar gedraaid, mocht het u interesseren.
SOLISTEN:
Don Cherry (cornet, #1)
Gato Barbieri (tenorsaxofoon, #1)
Larry Coryell (gitaar, #2)
Roswell Rudd (trombone, #3)
Pharoah Sanders (tenorsaxofoon, #4)
Cecil Taylor (piano, #5-6)
ORKEST:
7 saxofoons:
2 sopranen (Al Gibbons, Steve Lacy (#1), Steve Marcus (#2-6))
2 alten (Bob Donovan, Gene Hull (#1), Frank Wess (#2-4), Jimmy Lyons (#5-6))
2 tenoren (Lew Tabackin, George Barrow (#1-4), Gato Barbieri (#5-6))
1 bariton (Charles Davis)
7 overige blaasinstrumenten:
2 bugels (Lloyd Michels, Randy Brecker (#1), Stephen Furtado (#2-6))
2 hoorns (Bob Northern, Julius Watkins)
2 trombones (Jimmy Knepper, Jack Jeffers (bas))
1 tuba (Howard Johnson)
1 piano (Carla Bley)
5 contrabassen (Charlie Haden, Reggie Workman, Ron Carter (#1-4), Kent Carter (#1), Richard Davis (#1), Steve Swallow (#2-4), Eddie Gomez (#2-4), Bob Cunningham (#5-6), Reggie Johnson (#5-6), Alan Silva (#5-6))
1 drumstel (Andrew Cyrille (#1,5-6), Beaver Harris (#2-4))
Compositie, dirigentie, productie en coördinatie door Michael Mantler
Opgenomen op 24 januari (#1), 8 mei (#2-4) en 20-21 juni (#5-6) 1968, RCA Victor Studio B, New York
Alle
partituren zijn online verkrijgbaar, mocht u met een paar vrinden eens een poging willen wagen.
