Rock Island verscheen op 24 augustus 1989, twee weken na de 42e verjaardag van frontman en bandleider Ian Anderson. In de jaren '68 - '81 stond hij steevast op de voorzijde van de hoes afgebeeld, al dan niet met andere groepsleden. Na
Crest of a Knave is dat met
Rock Island voor de tweede maal níet het geval.
En er zijn meer overeenkomsten met de voorganger. Ian Anderson schreef wederom alle muziek in zijn eentje, en maakte toetsen en synthesizers ondergeschikt aan de elektrische gitaar van Martin Barre. Die mag weliswaar vaker zijn instrument laten scheuren, de composities zijn desondanks kalmer en minder explosief dan tot en met
The Broadsword and the Beast uit 1982 het geval was.
Een volgende overeenkomst is dat Anderson wederom alle nummers schreef, daarbij leunend op zijn multi-instrumentale capaciteiten inclusief het programmeren van drumcomputers. En alhoewel de drumpartijen uiteindelijk door Doane Perry zijn ingespeeld, leidt dat er toch toe dat de muziek gelijkmatiger dan voorheen is; nét als op de voorganger. Verdwenen zijn de soms abrupte overgangen van voorheen, toen Andersons composities minder van te voren waren dichtgetimmerd.
De toetsen komen van ex-groepslid en nu sessiemuzikant bij de groep Peter-John Vettese, plus Martin Allcock van Fairport Convention. De connecties tussen die twee groepen werden steeds hechter: volgens de biografie van Scott Allen Nollen over Tull is er bij Fairport uiteindelijk slechts één bandlid uit die periode dat niet bij Tull speelde; bij de tour van voorganger
Crest of a Knave was Fairport Convention het voorprogramma en bassist Dave Pegg speelt zelfs in beide groepen tegelijkertijd.
Het is bovendien in diens Woodworm Studio dat het grootste deel van de opnamen plaatsvond. Ian Anderson voltooide deze opnamen thuis in zijn Farmyard Studio. Inclusief de zangpartijen, zittend achter het mengpaneel, zoals in de BBC-documentaire
Fish 'n Sheep & Rock 'n' Roll is te zien.
Zoals velen opmerkten, zijn er opnieuw overeenkomsten met Dire Straits, mede omdat Anderson - behalve op opener
Kissing Willie - lager zingt, veroorzaakt door de stembandenslijtage die inmiddels was opgetreden. Het gitaarspel, zanglijnen en manier van zingen in slotlied
Strange Avenues bijvoorbeeld doen denken aan het spel van Mark Knopfler. Gebleven zijn de folk en Andersons fluitspel.
Kissing Willie heeft ook in de zang iets van Andersons oude venijn, met
The Rattlesnake Trail volgt een tweede uptempo rockend nummer. Met een vleugje ZZ Top.
Daarna wordt het kalmer, om te beginnen met
Ears of Tin dat verderop steviger passages bevat. Toch ontbreekt de onvoorspelbaarheid van het oudere werk en daarmee verflauwt mijn aandacht, zoals me zeker vanaf
Undressed to Kill overkomt. De shuffle aan het einde kan niet verhelpen dat de vijfenhalve minuut als tien aanvoelen;
Rock Island heeft weliswaar halverwege een snel deel, maar daarna gaat het weer terug naar een wat vierkant ritme.
Net als de eerste twee nummers van kant 1 springen die van kant 2 eruit.
Heavy Waters en
Another Christmas Song, de laatste een aangenaam vervolg op Andersons traditie van midwinterliedjes schrijven. Dan echter slaat de verveling weer toe mét het idee dat de overige groepsleden te weinig inbreng hadden, wat een zekere matheid brengt.
Vergelijk de composities maar met de bonussen die in 2006 op de
cd-bonusversie verschenen, oorspronkelijk verschenen in de VS op
cd-single. Tegelijkertijd hoor je dat Anderson niet meer de hogere regionen haalt, wat een volgende verklaring kan zijn voor mijn ietwat matte beleving van dit album.
De groep tourt hierna weer uitgebreid, waarbij één concert opvalt. In september 1990 speelt men voor het eerst in 22 jaar met originele gitarist Mick Abrahams en originele drummer Clive Bunker. Dit op de jaarlijkse Jethro Tull Convention; vierhonderd toeschouwers zwijmelen weg in Milton Keynes.