Waar ‘Oh Mercy’ de algehele hoop van de massa Dylanfans weer aanwakkerde (‘Yes! Onze held is terug!’), leek opvolger ‘Under the Red Sky’ dat buitensporige gevoel genadeloos de kop in te drukken. Dylan was toen al enkele jaren erg frequent on tour, de zogenaamde Neverending Tour. Die eiste slachtoffers, met als voornaamste slachtoffer Dylan zelf. Hij verloor stukje bij beetje het geloof in zichzelf, en, vooral, in het nut van zijn artiestenbestaan. Hij vroeg zich hardop af of mensen nog wel een boodschap hadden aan zijn songs, en dacht dat hij misschien wel op het punt was gekomen dat het genoeg was geweest.
Tijdens de optredens stond Dylan vaak dronken op het podium, wat tot ondermaatse concerten leidde. Ook de verkoop van zijn platen (zowel zijn eigen plaat als de tweede met Traveling Wilburys) viel enorm tegen. En dat net in tijden van persoonlijke crisis; zijn tweede officiële vrouw Carolyn Dennis was het beu wekenlang alleen thuis te zitten, en vroeg de scheiding aan. Dit zou natuurlijk weer tijdrovend, maar vooral financieel zwaar zijn om te dragen. Kortom: Dylan moest dus op zoek naar nieuwe bronnen van inkomsten, maar het ontbrak hem zowel aan wilskracht en inspiratie.
Het beruchte spook dat gekend is onder de naam writer’s block, had Dylan in eerdere era’s al een paar keer bezocht, maar, hoewel het met twee kwade vuisten op de deur bonkte, wist Dylan het nog enigszins uit zijn geest te weren. In 1992 zat hij, door een combinatie van factoren, waarvan enkele hierboven al benoemd zijn, mentaal zo goed als aan de grond. Uiteindelijk kwam hij via via (naar verluidt op aanraden van Neil Young, nadat ze samen een concert hadden bijgewoond) terecht bij David Bromberg, een snarenvirtuoos die al eerder met Dylan samenspeelde, op ‘Self Portrait’ en ‘New Morning’. Dylan had zelfs ooit nog mondharmonica gespeeld op diens titelloze debuut. Bromberg nodigde Dylan uit in de Acme Recording Studio te Chicago, en van het één kwam het ander.
De zin en inspiratie om eigen composities neer te pennen en op te nemen, ontbrak nog steeds bij Dylan. Daarom zocht hij zijn heil in covers, veelal oude nummers, waaronder een pak traditionals, maar ook nummers van o.a. Tim Hardin, Jimmy Rodgers en Bromberg zelve. Ook live speelde Dylan, in de akoestische gedeelten van zijn shows, al eens een cover, liedjes van collega’s als Paul Simon, maar even vaak traditionals. De songs uit deze tweede categorie overvielen hem gewoon; Dylan speelde ze zonder zich er echt van bewust te zijn, verklaarde hij later.
Met Bromberg en een heel arsenaal aan sessiemuzikanten werden een pak nummers opgenomen, waarvan uiteindelijk zo’n 15 geselecteerd werden. Het mixen liet Dylan over aan Bromberg, omdat hij “hem vertrouwde”. Bromberg kweet zich van zijn taak, maar jammer genoeg zijn hier niet veel dingen van terug te vinden op officiële releases. Op ‘Tell Tale Signs’ (volume 8 van The Bootleg Series) kwamen twee songs terecht, ‘Duncan & Brady’ en ‘Miss the Mississippi’.
De plaat leek zo goed als klaar om uitgebracht te worden, maar dat was buiten de waard gerekend. Dylan zelf was, nadat hij was teruggekeerd na een reeks concerten, helemaal niet tevreden over het resultaat dat hij te horen kreeg. Hij deed over alles moeilijk, en Bromberg had het verkorven. Een behoorlijke reden heeft hij daar naar wat ik heb gelezen nooit voor gegeven; we zullen het dan maar op het conto van zijn eigen, grillige zelf schrijven. Back to zero.
Enfin, u merkt het; deze plaat heeft, vooraleer we aan de eigenlijke opnamen kunnen beginnen, al een geheel eigen voorgeschiedenis. Juni 1992 was wat dat betreft een zeer bewogen maand. En hoe lastig en sputterend alles leek te verlopen in die maand, zo vlotjes verliep het de maand erna. In de loop van juli 1992 begon Dylan namelijk, helemaal solo, akoestische opnames te maken van nummers die hij al sinds zijn prille jeugd koesterde.
We keren even terug naar het begin van de jaren ’60, setting: Greenwich Village, New York. Tientallen jonge mensen probeerden het te maken als muzikant, kunstenaar of wat dan ook. Onder hen ene Robert Allen Zimmerman, een enthousiaste noorderling, die al snel naam maakte, met dank aan zijn aparte voorkomen en soms nogal wilde, maar altijd energieke en aanmatigende spel. Ook zijn stem had iets speciaals; alsof een snotneus wonderen kon doen. Die jonge Dylan, vol dromen, en niet beseffend dat die ook daadwerkelijk zouden uitkomen, hield van oude folk- en bluessongs; gospel en bluegrass; een vleugje country. Hij leerde veel van die liedjes kennen dankzij Dave Van Ronk, medemuzikant, soort-van-mentor en wandelende muziekencyclopedie. Woody Guthrie, Hank Williams, Robert Johnson; het waren slechts enkele van zijn helden, en hij had ook een groot ontzag voor alle van generatie op generatie overgeleverde songs, de zogenaamde traditionals. Vaak waren het nummers met een maatschappelijke inslag (negro-spirituals, bijvoorbeeld, of moraliserende levenslessen), maar evenzeer doodsimpele liefdesliedjes.
Een slordige dertig jaar later besloot diezelfde Bob Dylan om in zijn thuisstudio in Point Dume, met de hulp van slechts een geluidstechnicus (Micajah Ryan) en producer Debbie Gold, toen manager van The Grateful Dead, een volledig akoestische soloplaat op te nemen; dus, soloplaat in de zuiverste zin van het woord. Dat was geleden van in zijn begindagen, en met name Gold vond het een geweldig idee, en had ook goeie hoop voor de verkoopcijfers. Ik moet dat echter meteen even ontkrachten; zowel ‘Good as I Been to You’ als diens opvolger ‘World Gone Wrong’ zouden geen hoge ogen gooien, het meeste ophef zou nog ontstaan over het feit dat Dylan de nummers brandmerkte met “trad. arr. Bob Dylan”, terwijl de meeste versies niet eens zoveel afweken van oudere versies, en van het merendeel van de nummers ook een meer dan sterk vermoeden bestond wie de schrijver was.
Maar dat neemt niet weg dat ‘Good as I Been to You’ een bescheiden dijk van een plaat is. De sfeer die de plaat uitademt (wasemt, bijna) ruikt naar roestige ketenen en geurig brandhout, en komt eigenlijk uitermate gezellig over. De teneur van de songs is niet bepaald optimistisch (zal zeker te maken hebben met zijn op stapel staande echtscheiding), de albumtitel werd uiteindelijk gedistilleerd uit de veelzeggende strofe “You’re gonna quit me baby, good as I been to you”.
De stem van Dylan, aangetast door de opeenvolging van concerten en overmatig drank-, sigaretten- en drugsgebruik, klinkt verrassend genoeg niet vermoeid of ongeïnspireerd. Ondanks alle tegenslagen slaagde Dylan er alweer in zichzelf te hervinden, en dat wel in zijn eigen verleden. Hij zou beide coverplaten ook nog jarenlang verdedigen tegen de matige kritieken en platenverkoop. En wat mij betreft heeft de Meester het aan het rechte eind, want hier staan toch wel enkele pareltjes op, hoewel dat deels te danken is aan de kwaliteit van de nummers an sich.
Enkele hoogvliegers zijn, wat mij betreft, het pakkende ‘Jim Jones’, met enkele fantastische zanglijnen van Dylan; ‘Black Jack Davey’, over het meedogenloze spinnenweb van een duivelse verleider; het speelse ‘Froggie Went A-Courtin’’, dat Dylan met zijn typische gevoel voor humor zeer sterk vertolkt (af en toe moet ik qua sfeer zelfs denken aan ‘Last Sessions’ van Mississippi John Hurt, een off the hook observatie die waarschijnlijk niet veel bijval zal kennen); en het snelle, nijdige ‘Step It up and Go’, dat gewoonweg onweerstaanbaar is.
Echt zwakke nummers vind ik niet terug op deze puike plaat, al doen de opener, ‘Little Maggie’ en ‘Diamond Joe’ me toch wat minder, en blijven die songs ook minder hangen. Maar de schaal helt duidelijk over naar een positieve balans, en ik moet zeggen dat de plaat, hoewel ik ‘m nog nooit had gehoord (‘World Gone Wrong’ dan weer wel), niet veel verwachtingen opriep. Ben ik blij dat ze ruimschoots worden overtroffen!
4 sterren