In hetzelfde jaar dat Kansas’
In the Spirit of Things verscheen, bracht AD zijn zwanenzang uit. Dit was de groep rond Kerry Livgren, na zijn vertrek uit Kansas geformeerd met daarbij bassist Dave Hope, eveneens ex-Kansas.
In zijn biografie ‘Seeds of Change’ biedt Livgren in de in 1990 gepubliceerde appendix Part II een inkijkje in hetgeen met AD gebeurde. Aanvankelijk de begeleidingsband op diens tweede soloalbum
Time Line (1984) bleek tijdens de opnamen dat dit een echte groep moest worden.
Door contractuele beperkingen vanuit Livgrens en Hopes Kansasdagen was men gedwongen zich te beperken tot de christelijke markt. Een vreemde beperking, zeker gezien het feit dat Steve Walsh, die Kansas medio 1981 had verlaten, wél gewoon een nieuwe band in de reguliere markt kon starten.
Voor Livgren volgde een tweede verandering. In 1985 verhuisde hij met vrouw en dochter naar een boerderij, zijn thuisstudio meenemend. In Newton County, Georgia, combineerde hij op Crossfire Farm (vernoemd naar het lied dat voor Walsh de directe aanleiding was om solo te gaan) het leven van een boer met dat van muzikant.
Er was dus minder tijd voor de muziek, mede omdat hij en zijn vrouw het vak moesten leren. Diverse ongelukjes volgden, deels veroorzaakt door trappende paarden, leidend tot een gekneusde voet (zijn vrouw) en gebroken ribben (hijzelf). Bovendien verdween de trekker in zowel een verborgen kloof als in een moerassig stuk land. De huisarts was dan ook één van de eersten die ze in hun nieuwe woonplaats leerden kennen, noteert Livgren droogjes; op diens vaardigheden werd het eerste jaar veelvuldig een beroep gedaan.
Met AD waren nog twee albums gemaakt, waarvan de laatste zonder tweede zanger Warren Ham. Alhoewel de groep geleidelijk vaker kon optreden, was AD toch gestopt, mede door Livgrens drukke bezigheden als boer. Omdat er nog rekeningen waren te betalen, besloot Livgren een postuum AD-album te maken, gebruik makend van ongebruikte demo’s. Hiervoor keerde niet vaste zanger Michael Gleason terug, maar was het Ham die achter de microfoon stond. De hoes vermeldt daarom terecht als makers Kerry Livgren / AD*. Met asterisk.
Gedurende de vier AD-albums leerde Livgren het vak van produceren, waarop hij in zijn bio (p. 190) terugblikt:
“Ze klonken niet slecht, maar hadden beter kunnen klinken. De budgetten gaven ons sowieso geen keus.” Door
Arjan Hut bij
Time Line treffend beschreven als
“typisch gelikt (…), gekunsteld en kil van sound. Daar houd ik ook wel van, dus met dit AD verveel ik me geen seconde.”
Datzelfde gaat op voor AD’s zwanenzang
Prime Mover, dat ook te vinden is op streaming. Livgren bespeelde alle instrumenten, inclusief digitale bas en (helaas ook) drummachine, waarbij Ham de zang en blaasinstrumenten verzorgde. De nummers mogen dan onuitgebracht werk bevatten, het liedmateriaal doet geenszins onder voor dat van de voorgangers. Opnieuw klinkt kwaliteitspoprock, vergelijkbaar met het Genesis in die periode.
Alle nummers werden door Livgren geschreven, behalve
Portrait II dat nog uit de Kansasdagen met co-componist Steve Walsh stamt, plus het door Gleason geschreven
I'll Follow You.
De stem van Ham lijkt sterk op die van Gleason. Regelmatig laat de multi-instrumentalist wat betreft blaasinstrumenten zijn invloed gelden, zoals hij deed op Kansas’ tijdelijke zwanenzang
Drastic Measures.
Meest opvallende nummers zijn opener
Don’t Pass Me By met niet alleen dwarsfluit maar ook een heel aangenaam jazzdeel, inclusief scatzang van Ham;
Portrait II is een bewerking van de Kansasklassieker, met nieuwe tekst; wonderschoon is
Children of the Shadows met een fabelachtige melodie en dito pianospel, dicht tegen de Kansas' progrockdagen aanleunend.
Op de tweede plaatkant bevat
Wandering Spirit de typische synthesizersound van die tijd, het wordt door Livgren in zijn boek aangehaald vanwege de tekst; synthreggae en jazz klinken in
New Kind of Love, dat gemaakt lijkt voor de radio; het tweede absolute hoogtepunt is
One More Song, uptempo met wederom een sterk toetsenthema van Livgren.
Dat Livgren achteraf ontevreden was over de productie, toonde hij in 1997 toen hij
Reconstructions in deels heropgenomen vorm als
Reconstructions (Reconstructed) uitbracht. In 1998 verscheen volgens hetzelfde recept
Prime Mover II, waarover spoedig meer. Deze ontbreekt nog op MuMe, ga ik wat aan doen.
Voor de 1988-editie van
Prime Mover geef ik 4 sterren, een 7,8 als rapportcijfer. Verrassend hoog voor een album met slechts restjes en digidrums.
Het tweede album dat Livgren in zijn studio-in-de-boerderie zou opnemen werd het instrumentale
One of Several Possible Musiks.