Vooraf:
"It's Rock 'n' Roll Weekend", dat u het weet!
Mijn eerste uitgebreidere kennismaking met hardrock was via de dinsdagmiddagshow van Alfred Lagarde, het 'Beton Uur'. Daar maakte ik onder meer kennis met Amerikaanse namen als
The Godz (
Under the Table) en Sammy Hagar.
Red moet het eerste zijn geweest wat ik van de man hoorde, of was het er één van de eerste twee elpees van zijn vorige band
Montrose?
The red rocker pakte het met steun van platenmaatschappij groter aan dan op het
solodebuut. Opgenomen in Londen in Abbey Road en dat na uitgebreid touren met inmiddels een vaste band, te horen op deze plaat. Bassist Bill Church, gitarist David Lewark, drummer Scott Mathews en toetsen en special soundeffects van Alan Fitzgerald. De hoes geheel in rood thema, ontworpen door het gerenommeerde ontwerpbureau
Hipgnosis en titelloos. Met dat laatste is het alsof hij wilde aangeven dat dit zijn eigenlijke solodebuut was, maar dat gok ik.
Een jaar of acht geleden ben ik door zijn discografie gereisd om te constateren dat het beeld dat ik van zijn eerste albums kreeg via Lagardes radioshow niet klopte. Waar ik veel uptempo hardrock verwachtte, klinken nogal eens andere invloeden. Zoals op
Sammy Hagar. Alsof Hagar, band en platenmaatschappij wilden zeggen:
"We zitten in Abbey Road, dat zullen we eens laten horen!"
En zo bevatten ballade
Catch the Wind en het rockende
Free Money orkestrale geluiden, nadat
Red met een drumsolo (geïnspireerd door Ringo Starr volgens Wikipedia) en heerlijke riff en zang de plaat aftrapte.
Cruisin' and Boozin' rockt akoestisch met een tekst die aanzet tot gevaarlijk rijgedrag. Heftiger is
Rock 'n' Roll Weekend, dat beter bij mijn verwachtingen passend kant 1 afsluit.
Kant 2 begint met het op akoestische gitaar leunende
Fillmore Shuffle, lekker uptempo en uiteraard heerlijk gezongen, waarna
Hungry stevig rockend vervolgt.
The Pits is eveneens vlot maar dan met blazers; vanwege Abbey Road? Of wilde Hagar méér zijn dan een hardrocker?
Dan liever de stoempende riff van
Love Has Found Me. En dan verrast Hagar door ingetogen te beginnen en vervolgens mooi naar een climax te werken. Dit met het kleine
Little Star, dat overgaat naar het knallende
Eclipse. Dat bevat bovendien een verborgen instrumentaal slot, al verraadt de groef van de elpee dit uiteraard.
De red rocker rockte niet zoveel als Alfred Lagarde mij deed voorkomen, maar omdat de productie van wederom John Carter nu minder dof is, is dit toch een stap voorwaarts. Op naar
Street Machine!