Soms bekruipt me het gevoel dat als iemand een van mijn besprekingen heeft gelezen en hij de plaat niet kent, geen idee heeft hoe het klinkt, maar wel waar het nou allemaal over gaat. Voor diegenen zal ik eerst eens vertellen dat we te maken hebben met een folkplaat, die we ergens tussen Leonard Cohen en Bright Eyes kunnen plaatsen, dat de liedjes uitgevoerd worden op gitaar en/of piano, soms aangevuld met een zangeres of Franse hoorn, er twee opgewekte pianoliedjes op staan, een lo-fi-electropop de plaat afsluit en dat de Fonz geen mooizanger is, maar dat dat niet uitmaakt. Hebben we nu een beetje een plaatje van het geluidsbeeld? Mooi zo.
Nu ga ik weer schaamteloos mijn tekstenfetisj botvieren. Mocht je daar geen behoefte aan hebben, hou dan maar op met lezen en koop die cd. Want waarom iemand als Tom Barman bij het uitkomen van elke nieuwe dEUS-plaat een hoop plek krijgt in de OOR om zijn teksten te bespreken, het is mij een raadsel. ‘Vantage Point’, leuke plaat, maar tekstueel wel zo straight-forward dat we al aan het tekstboekje genoeg hebben, Tommeke. De nieuwe, ‘Keep You Close’ wordt-ie genoemd, heb ik nog niet gehoord, maar de tekstfragmenten die ik in de, wederom, OOR las, geven me toch weer een gevoel dat Tom al die uitleg niet hoeft te geven. De bevindingen die ik opdeed uit het schandalig korte interview dat verscheen, naar aanleiding van deze cd, zijn een stuk boeiender.
Want de Fonz, Otto Wichers staat er op z’n ID-kaart, noemt zowel de spirituel-romantische benadering van Leonard Cohen, als de aardse benadering van Seamus Heaney, die zelfs over aardkloten schrijft. Tekstueel blijkt Otto zich ook van simpel taalgebruik en eenvoudige beelden te bedienen, die evenwel wel sterk evocerend werken. Het verhaaltje is makkelijk te volgen, maar ondertussen gebeurt er genoeg achter de tekst. Zo is één van de terugkerende thema’s de zoektocht naar schoonheid. Dit wordt gevonden en leidt tot verlichting van de aardse banaliteiten, dit wordt niet gevonden en leidt tot eenzaamheid, het is misschien al gevonden maar is niet als zodanig herkend en nu is het te laat; er is voor een aantal verschillende invalshoeken gekozen.
Het kan er behoorlijk schrijnend aan toe gaan: zelden zo’n subtiele, maar daarom zo pijnlijke verwoording van het onvermogen om een overzicht van de situatie te schetsen: ‘She wore my bracelets nearly every day/You know I used to smoke her cigarrettes/and I don’t know what went wrong’. De titel van het liedje geeft aan dat er gezocht wordt naar het miraculeuze, maar de ik-persoon heeft het niet als zodanig herkend. Dat wordt pijn lijden en inderdaad, als de ik ergens wordt aangetroffen op een zwerftocht, blijkt hij vol spijtgevoelens te zitten.
Zo zit bijna elk nummer (de opgewektere pianoliedjes uitgezonderd) vol onderhuidse spanning: ‘I used to wear my rings underneath my skin’. Af en toe komt dat tot uitbarsting, zoals in het pijnlijke ‘Christmas Lights in a Cave’, waarvan de conclusie me nog geregeld zachte ogen oplevert. Ontevredenheid, masochisme, fatale onverschilligheid, verlangen dat bijna niet meer te houden is; het is allemaal niet vrolijk, deze zoektocht naar schoonheid, maar juist daarom komt Otto een heel eind.