Niet alleen de nachtegaal, maar ook de leeuwerik, de 'lark', heeft veel uitgebreidere zangcapaciteiten dan andere vogelsoorten. De leeuwerik zingt vaak al vliegende om zo zijn territorium te verdedigen. Linda Lewis kan met haar stembereik van vijf octaven net wat meer dan een ander. Ze lijkt wel meer controle te hebben in vergelijking met andere zangvogels als Minnie Riperton of (God verbiedt) Mariah Carey. Met sprekend gemak verandert Lewis haar hoge kleine-meisjes-stem naar een zachte alt. Leeuweriken bevinden zich vaak op de grond, waar ook hun eitjes worden gebroed. Met hun bruin en wit gespikkelde veren hebben ze daarvoor de perfecte camouflage. Linda Lewis is een Britse met warm Jamaicaans bloed. 'My Grandaddy Could Reggae' heet een van haar latere nummers. Een leeuwerik dus.
Linda Lewis is meer. In 1972 een nog maar net komen piepende twintiger, vol vragen, verwachtingen, teleurstellingen ook, maar vooral gewoon vol liefde, en 22-jarige ondergetekende herkent zich soms wel in deze 12 charmante songs. Dat ze vanuit een vrouwelijk perspectief zijn geschreven is enkel maar een verrijking voor het mannelijk brein. Lewis putte voor de teksten immers inspiratie uit haar eigen leven en (on)ervaringen. Daarnaast heeft ze het album, samen met haar grote liefde van toen, Jim Cregan, ook volledig zelf geproduceerd. Voor beiden was het een ontdekking, want de eerste keer. Met liefde kun je al een heel eind komen, zo bewijst 'Lark' wel.
Opgenomen in de seizoenen wanneer alles pijs en vree is, en dus is "You got a very fine nose, You got flowers in your toes" de perfect aandoenlijke opener. 'Spring Song' legt ook meteen de werkwijze bij het componeren bloot: Linda die met haar gitaar de liedjes opbouwt. In de uitwerking van de songs gaat het trouwens nooit veel verder dan dat. In al hun eenvoud worden ze naar voren gebracht, Linda, Jim en een handvol gastmuzikanten, niemand meer. Iemand meer is ook niet nodig, bewijst niet enkel de fijne opener, maar ook een prachtsong als 'It's a Frame' in al zijn puurheid.
Dat het ook met een zo goed als volledige ritmesectie kan, bewijzen twee andere favorieten 'Old Smokey' en 'Waterbaby'. De elektrische piano van de eerste (gesampled in 'Go' van Common) stuurt Linda perfect aan en zorgt voor een aangenaam tempo. Hetzelfde geldt voor het heerlijk dromerige liefdesliedje 'Waterbaby'. Songs als deze maken van het woord 'probleem' een buitenaards begrip. Verrassend is wel de plotse saxofoon in 'Gladly Give My Hand' ergens halverwege het album (hopelijk heb ik de verrassing nu niet verknald), wederom zo stijlvol gedaan, dat het niet anders kan dan gewoon een glimlach op je gezicht toveren.
Een van de opvallendste songs is 'Reach for the Truth'. Dit had best een hit kunnen zijn als haar faam niet pas een jaar later opkwam, als backing vocal op David Bowies album Aladdin Sane. Het nummer over de eeuwige twijfels kent een krachtig refrein, en een kippevelmoment als ze in de break plots haar diepe stem gaat opzetten en er overtuigd "And the only truth there is, is God's love" uit zucht. Die filosofie van twintigjarigen horen we vaker terug op het album. In het door piano en orgel begeleide titelnummer zegt de leeuwerik: "Let's love while we work, Don't let us wait until it's done, You know we have enough love to love everyone". Naïviteit is dat niet, voor ons twintigers is het nog de waarheid. Dat het nog even zo mag blijven.
De afsluiter is een live opgenomen nummer dat het hele album goed typeert. Linda die zichzelf begeleidt met een guïro (een soort indiaans slagwerkinstrument) en meteen ook aan haar publiek toegeeft de naam ervan jarenlang verkeerd te hebben uitgesproken. En op dat eigenste moment kan je niet anders dan verliefd zijn op Linda Lewis. Moeilijk te geloven dat deze meid zestig wordt dit jaar. Hopelijk heeft ze wat van haar liefde en onschuld kunnen bewaren.