SOUNDS OF SILENCE 1966
Een reconstructie dringt zich op. In 1964 ziet het eerste album
van een nieuw folk duo Simon & Garfunkel het levenslicht. Geen groot succes.
Paul en Art zeggen elkaar vaarwel en Simon doolt door Engeland met zijn liedjes
die hij in 1965 weet vast te leggen op een minder bekend gebleven solo-album.
Als in december 1965 The Sound of Silence in een elektrisch versterkt arrangement
(leve Bob Dylan) naar nummer 1 stijgt in de States, is Simon opnieuw op visite in Londen.
Halsoverkop keert hij terug naar huis om samen met Garfunkel het applaus waar te nemen.
Het duo duikt haastig de studio in om het album Sounds of Silence op te nemen.
Daarom klinkt deze langspeler als een huzarenslaatje met enerzijds nog akoestisch werk
en anderzijds elektrisch versterkte songs, met enerzijds herbewerkingen van songs die Paul
al op
The Paul Simon Songbook (1965) had gezet en anderzijds wat onrijp, nieuw materiaal.
Naast The Sound of Silence behoren I Am a Rock, Leaves That Are Green,
April Come She Will, A Most Peculiar Man en Kathy's Song tot de oudere songs.
I Am a Rock is ongetwijfeld het bekendste nummer na The Sound of Silence.
De single deed het bijzonder goed als opvolger van de hit. En tekstueel mag het lied
meteen gerekend worden tot de klassiekers in het poëtische folk pop repertoire.
Leaves That Are Green is puur akoestisch en ontvouwt de grote klasse van Simon
die op zo'n moment eigenlijk geen Garfunkel nodigt heeft om de luisteraar te treffen.
Songwriters als Melanie en Leonard Cohen doen hetzelfde met gitaar, tekst en stem.
April Come She Will werd herschreven naar het keelgeluid van nachtegaal Garfunkel.
Meer een gedicht dan een lied misschien. En wat hun prille werk van het latere S&G oeuvre
onderscheidt, zijn de teksten die geuren naar dagboeken en nog wat last hebben van puistjes.
De eerste songs waarin Simon mensen portretteert hebben haast iets onschuldigs.
A Most Peculiar Man heeft het ritme van een postkoets en verraadt daarmee zijn heimat:
het grote, Amerikaanse songboek. Een braaf liedje dat aan hun debuutalbum doet denken.
En dan is er Kathy's Song waarvoor ik alle hoeden die ik bezit wil afnemen.
Sprak ik zonet nog over onschuld en braafheid, dan vloeit hier de pijn uit Simons pen.
Dit lied heeft de blues in zich zoals alleen een groot songwriter dat kan bezingen.
Mag ik even denken aan een andere held van mij .. Townes van Zandt.
De nieuwe nummers dan, die het elektrisch versterkte luik weerspiegelen.
Blessed bijvoorbeeld waarin Simon & Garfunkel boven de storm uitzingen.
Het religieuze thema van hun debuut blijft aanwezig, maar krijgt wat tegenwind
dankzij het arrangement. Maar het lied behoort echter niet tot de blijvers.
Dat laatste geldt eigenlijk ook voor Somewhere They Can't Find Me.
Een nummer dat vooral hip voor zijn tijd wil zijn, maar minder het klassieke
Simon & Garfunkel kwaliteitslabel draagt. Het studio arrangement met een nochtans
mooie, jazzy inkleuring gaat lopen met de punten. De song zelf is minder trefzeker.
En ook Richard Cory hoort thuis in dezelfde categorie.
Nummers die het album door hun geforceerd "eigentijds" arrangement zwaar dateren
en die ervoor zorgen dat ik in de eindafrekening op 4 in plaats van 5 sterren uitkom.
Anji is een instrumentale jazz cover en opvuller die het gitaarspel van Simon in de kijker zet.
We've Got a Groovy Thing Goin' lijkt wel een ode aan The Everly Brothers, oude idolen van S&G.
Vooral de manier waarop ze hun stemmen laten blenden, vormde een inspiratiebron.
Een album dat ik moeilijk als een totaliteit kan zien of horen.
Het laat me telkens achter met een dubbel gevoel: talent zat, maar te haastig opgenomen.
Sommige van de nieuwere songs lijken nog niet rijp genoeg. Simon & Garfunkel hebben zelf
ook hoorbaar weinig controle over de productie. Dit klinkt toch te weinig als hun plaat.