Dit jaar heb ik Agalloch ontdekt. Naar aanleiding van deze nieuwe release ben ik ook naar ouder werk op zoek gegaan, en dat bevalt allemaal heel erg goed. Deze plaat heb ik al vrij veel beluisterd de laatste weken, en is op de derde plaats geëindigd in mijn eindejaarslijst. Het is een kille, desolate, donkere plaat.
De hoes vind ik prachtig; die ademt perfect de sfeer uit die de hele plaat lang wordt vastgehouden. Kil, desolaat en donker dus. Het album opent met een kort nummer, meeslepend nummer. De cello speelt daarin de hoofdrol, met op de achtergrond het geluid van tsjilpende vogels en een klaterend beekje. Het nummer is gecomponeerd door ene Jackie Perez-Gratz, en de cello wordt ook door haar bespeeld. Wat je hoort is erg intens, en vooral wonderschoon.
Als ‘They Escaped The Weight Of Darkness’ langzaam wegvalt, komt ‘Into The Painted Grey’ bruusk invallen. Het contrast is groot, maar er is toch ook één gemeenschappelijk punt; de intensiteit. Agalloch haalt het onderste uit de kan, en dat is maar goed ook, anders zou de muziek misschien wat verzanden omdat de nummers zo lang uitgesponnen zijn. maar niets van dat alles ervaar je tijdens het helse uur dat ‘Marrow Of The Spirit’ is. Met de grunts heb ik trouwens geen probleem; het komt wel eens voor dat ik het niet kan verdragen, maar bij deze band blijkbaar wel. Het tempo zakt bijna nergens, maar van overhaasting is echter geen sprake; het beste bewijs daarvan is de tijdsduur van het nummer.
‘The Watcher’s Monolith’ klinkt, net als het vorige nummer trouwens, groots. De song opent met akoestische gitaar, waarna de elektrische gitaar invalt, en de song langzaam opbloeit. Na een minuut krijg je dan een halve minuut rust, waarna de zanger invalt, en het weer steviger wordt. Als we ongeveer 3 minuten ver zijn in het nummer, krijg je hetzelfde motiefje als in het begin, en klinkt een haast sacrale stem: “Standing proud in the hollow of the land; a vestige of deeper purity etched in spirit against the sky.” De gitaarsolo in het midden van het nummer is ook erg mooi, waarna de song een lichtjes andere wending krijgt. Al duurt dat niet lang. Na een korte rustpauze kent het nummer nog een geweldige climax (vind ik persoonlijk), waarin de zanger zijn longen bijna uit z’n lijf schreeuwt en bromt en grunt. Daarna volgt nog een beklijvende gitaarsolo, die de haren op je nek overeind doen komen. Wanneer die solo stukje bij beetje wegvalt, komen krekels opzetten, en de laatste minuut wordt volgemaakt met een ronduit fantastisch mooi pianostukje. Niet frivool, of moeilijk of zo, maar echt perfect bij de sfeer van de plaat passend.
De krekels hoor je ook nog in het begin van het langste nummer, ‘Black Lake Nidstang’. Ik heb eens opgezocht wat dat is, een nidstang (een mens kan niet alles weten, natuurlijk, maar is wel nieuwsgierig, dus daarom zoekt hij dingen op). Wel, het is een soort houten paal die in de oude Germaanse culten werd gebruikt om een vijand te vervloeken. Het woord is afkomstig uit het Oud-Noors, en als je deze band hoort, zou je soms denken dat het een Scandinavische band moet zijn, omdat ze toch wel aanleunen bij een band als Opeth. Maar goed, dit weetje draagt enkel bij tot de obscuriteit van deze plaat. ‘Black Lake Nidstang’ begint langzaam, neemt z’n tijd, hoor ik daar niet een flamencogitaar eventjes voorbijkomen, of beeld ik het me in? Het is in ieder geval één van de beste nummers die ik dit jaar al heb beluisterd, een monumentaal nummer. Als het rond 4 minuten 10 echt begint, wordt je meegezogen in de donkere wereld van een dodenmeer. Dat eerste stukje tekst, wordt gedeclameerd door “voice of the dead”, lees ik op een site waar ik de lyrics kan lezen. Tja, zo klinkt het wel, schor en fluisterend spuwt die stem woorden uit zoals “Pale ghosts caress the Nidstang in the dark; its face scarred by the ages”. Daarna volgt een instrumentaal stukje, en wordt het volgende stukje tekst gedeclameerd, door “voice of the Nidstang”. Tekstueel is het een mysterieus en intrigerend nummer, instrumentaal een meeslepend epos. Na zo’n 10 minuten kent het nummer een impasse, waarin de wind waait, gitaarklanken hypnotisch schemeren en de spanning op en top blijft. Xylofoon passeert ook, mooi toch. Experimenteren met keyboard. Na enige minuten begint het misschien wat tegen te steken, en als we bijna de kaap van het kwartier hebben gerond, komt er weer een versnelling in het nummer. Iets waarop ik ook al enkele minuten zat te wachten bij een eerste beluistering, dat geef ik grif toe. Zo explodeert het nummer toch nog op het einde. “Join the drowned in the silence of the black lake’s womb…” Gezellig is anders, zou ik denken..
En dan het nummer dat deze plaat ervan weerhouden heeft om de beste van 2010 te kunnen zijn voor mij. Dit nummer begint vrij afwijkend in vergelijking met de rest van de lange nummers. In titels verzinnen zijn die jongens echter heel goed. ‘Ghosts Of The Midwinter Fires’ is een titel met een zekere poëtische schoonheid. Na een vrij lange introductie komt het nummer rond de 3 minuten pas echt op gang. Ik ga zeker niet zeggen dat het een slecht nummer is, hoor. het intrigeert me net iets minder dan de overige songs, en dat is jammer. Misschien dat de appreciatie mettertijd nog zal komen, ik weet het niet. ik hoop er alleszins op, want dan is deze plaat een dikke kanshebber om het tot in mijn top 10 aller tijden te schoppen, toch zeker wat metalplaten betreft. Het nummer eindige wel erg mooi: een schelle klank op de achtergrond, de gitaar die zijn laatste noten uitzingt, en het klaterende beekje van de openingstrack dat weer terugkomt.
Daarmee opent de afsluiter ‘To Drown’ ook. Even later valt dat geluid weer weg, en komen er een akoestische gitaar en weemoedige strijkers voor in de plaats. Bezwerend wordt er gefluisterd “They escaped the weight of darkness”. De titel van het openingsnummer. De wereld is een bol, en het bestaan is een cirkel. Alles komt terug. “They escaped the weight of darkness; to drown in another…” Meesterlijk hoe de eerste en laatste track met elkaar in verband worden gebracht. Na ongeveer 5 minuten zou je denken dat het nummer gedaan is, maar nee hoor. Het tweede stuk moet nog beginnen. Een kolkende uitbarsting lijkt op til, ingeleid door dreiging, een razende storm in een stolp. Je weet dat ie er is, maar hij moet nog tot volle wasdom komen. Na 6 minuten 40 wordt het slotoffensief langzaamaan ingezet. Je voelt de spanning letterlijk oplopen. De cello keert ook terug, natuurlijk. Alles komt terug, vergeet dat nooit. Die kolkende uitbarsting komt er niet van, dat is misschien wel spijtig. De laatste anderhalve minuut bestaat uit water dat tegen de rotsen aanschuurt, en uiteindelijk dat klaterend beekje. Al kan het ook een hele oceaan zijn, wie zal het zeggen?
Agalloch pakt groots uit met ‘Marrow Of The Spirit’. Voor mijn gevoel althans, want ik weet dat er veel discussie bestaat over deze nieuwste. Sommigen, zoals ik, vinden het een geweldige plaat; anderen kunnen er niet veel mee. Het is inderdaad een lange, moeilijke zit, dus één kans volstaat niet. Je moet het twee kansen geven.
4,5 sterren