Vanuit het niets - enfin, het Zweedse niets - verscheen dit jaar Ghost. Ze produceerden een demo en tekenden vervolgens meteen bij Rise Above Records, misschien wel het sterkste metal-label van dit moment. Bovendien staan ze ook nog eens te pronken op de affiche van de komende editie van het Roadburn-festival. Een onnavolgbare prestatie, waardoor hun debuutplaat 'Opus Eponymous' hoge verwachtingen met zich meedraagt.
Maar waaruit bestaat dit instant succes eigenlijk? De bandleden zijn volledig anoniem (in hoeverre dat dit mogelijk is in het internettijdperk), de vijf die instrumenten bespelen blijven live doodleuk achteraan het podium staan, omhuld in lange gewaden. In scherp contrast valt er niet naast de zanger te kijken, die als vrij geïnterpreteerde antipaus tot zijn publiek staat te prediken: gekleed in een ruim kleed, een skelet op zijn aangezicht geschminkt, en boven die schedel een mijter met - hoe kan het ook anders - een omgekeerd kruis.
En waar zingt zo'n antipaus dan over? Ah, over zijn beste vriend Satan, natuurlijk. Gebruikmakend van allerhande koosnaampjes - gaande van 'the dark architect' tot 'you rebel chief' - zingt hij wat voor een toffe gozer Lucifer wel niet is, en gaandeweg passeren er ook wel eens wat heksen en de draagmoeder van de Antichrist zelf. Een vrolijke bende is het allerminst.
Dat Satanisme is heus niet serieus bedoeld, dat kan gewoon niet. Neem bijvoorbeeld de volgende passage: "Our father, who art in hell, unhallowed be thy name. Cursed be the sons and daughters of thine Nemesis, whom are to blame. Thy kingdom come, nemA." Het is gewoonweg niet mogelijk dat iemand dit geschreven heeft met het gedacht dat dit een geslaagde duistere lyric is.
Belangrijker is dat deze hele duivelaanbidding-thematiek even amusant als belachelijk is: het doet denken aan oude 70's horrorfilms, en vanuit dat perspectief zijn de teksten net genoeg tongue in cheek, zonder té duidelijke knipogen te geven. We merken dat het maar voor de grap is, ook al wordt het volkomen serieus gebracht.
Om het helemaal af te maken beschikken de antipaus en zijn satanisten ook nog over een muzikale meerwaarde, die geheel binnen de horrorsfeer past: een galmend kerkorgel. Door die drie centrale factoren is het enerzijds moeilijk om Ghost serieus te nemen, maar het is minstens een even grote uitdaging om je niet bijzonder sterk met 'Opus Eponymous' te amuseren.
Deze spookhuisrock (hoe kan je zo'n band anders categoriseren?) is bijzonder cheesy, maar het is ook een behoorlijk unieke, opvallende stijl. De occulte rock (in de stijl van Coven's meesterwerk uit 1969, 'Witchcraft Destroys Minds and Reaps Souls') is door het succes rond de magistrale Nederlanders van The Devil's Blood dan wel aan een sterke heropleving bezig, Ghost toont toch wel een enigszins alternatieve blik op het genre.
Maar hoe klinkt die spookhuisrock dan precies? Wel, heel wat minder heavy dan je zou verwachten. Er zijn wel degelijk raaklijnen met New Wave of British Heavy Metal-klassiekers als een Witchfinder General, maar muzikaal is dit hoogstens middelharde rock à la Blue Öyster Cult. Het album kent een handvol toffe riffs die zonder al te veel distortion gespeeld worden, hoewel het in combinatie met het orgel sporadisch voor een heksenketel kan zorgen.
Ook de ritmesectie staat behoorlijk ingetogen te spelen, waarbij de anonieme muzikanten hun talenten (ongetwijfeld verkregen door Beëlzebub zelve) volledig mogen ontbolsteren op instrumentale afsluiter 'Genesis'. Qua zang klinkt het dan wel duister en sfeervol, maar dat effect wordt volledig gecreëerd door middel van een zuiver stemgeluid, zonder ooit te rauw of laag te gaan. Dit is in feite behoorlijk toegankelijke muziek, die zelfs op de commerciële radio niet zou misstaan... op het gebruikelijke 'zeszeszes' na, weliswaar.
Uiteindelijk beschrijft de band zichzelf simpelweg als powerpop, en daar valt eigenlijk vrij weinig tegen in te brengen. Ghost schrijft niet al te zware, maar bijzonder catchy muziek. Sommige nummers zoals 'Ritual' of 'Death Knell' zouden muzikaal zelfs een groep als Abba nauwelijks misstaan. Wanneer zo'n muzikale luchtigheid gecombineerd wordt met het eerder genoemde carnavalssatanisme (en zonder dat de sterkte van de nummers daaronder lijdt), kan een album niet snel saai worden.
'Opus Eponymous' krijgt daar met zijn magere 34 minuten de tijd ook niet voor: ergens is dat misschien wel jammer, al is het moeilijk te stellen of deze muziekstijl ook een uur lang zou weten te boeien. En daarbij: ik speel dit album veel liever tweemaal af zoals het is - kort, zonder slechte nummers - dan wanneer het onnodig uitgesponnen zou zijn en aangevuld met minderwaardig materiaal. Want uiteindelijk is 'Opus Eponymous' een bijzonder sterk debuut, meer zelfs: zowat het tofste half uur muziek dat ik dit jaar gehoord heb.
En dan nu iedereen in koor: ‘S-A-T-A-N!'
Geschreven voor Digg.be