Waar Jethro Tull in de jaren 1968-1980 jaarlijks nieuw werk uitbracht, wordt de productie daarna minder frequent. Blijkens de documentaire 'Fish and Sheep and Rock 'n' Roll', ook op
JijBuis te vinden, is één van de redenen de boerderij met landgoed die Ian Anderson beheerde. Maar hij kampte ook met stemproblemen.
Hierboven lees ik vergelijkingen met Dire Straits en ook adult oriented rock wordt genoemd. Op
Crest of a Knave keert Jethro Tull terug naar de combinatie van scheurende rock in combinatie van folk, anders is dat het ingetogener is dan voorheen. Minder toetsen dan op het afgelopen werk met Peter-John Vettese, die niet mocht meedoen om een overdosis synthesizers te vermijden, zo schrijft Scott Allen Nollen in zijn bandbiografie uit 2002.
Wél deed Anderson, die geen compositorische inbreng van anderen duldde (
"I was very, very selfish about making this one") zelf aan synthesizers en drum programming, zoals de hoes vermeldt en die klinken dan ook regelmatig in de muziek; echter gedoseerder dan op
Under Wraps.
Opvallend is dat twee drummers zijn te horen: de Amerikaan Doane Eddy en, omdat Eddy enige tijd terugkeerde naar New York om zijn zieke moeder bij te staan, tijdelijk Gerry Conway. Bassist Dave Pegg combineerde zijn lidmaatschap van Tull met dat van het door hem heropgerichte Fairport Convention.
De muziek werd opgenomen in Peggs Woodworm Studios in Oxfordshire én in de Farmyard Studios van frontman Anderson.
Die laatste zingt lager en kalmer dan voorheen en nu pas wordt mij pijnlijk duidelijk dat het laatste album waarop zijn stem ongeschonden klonk,
The Broadsword and the Beast uit 1982 is geweest. Anderson is bovendien verantwoordelijk voor alle composities, die gemiddeld kalmer en minder veeleisend zijn dan het jaren '70-werk. Hij schrijft deze in lagere toonsoorten en eveneens anders is dat Barre vaker met clean gitaargeluid speelt.
Dat laatste veroorzaakt de overeenkomsten met het gitaargeluid van Mark Knopfler van Dire Straits. Volgens de biografie is het Knopfler die ooit bij de gitaarbouwers van Hamer aangaf:
'Well, I want to try and get that sound that Martin Barre from Jethro Tull gets" en wat ook van invloed zou zijn, is dat beiden uit de regio Edinburgh komen.
"That sound" betreft de Fender Stratocaster, door Barre gebruikt sinds 1976, album
Too Old to Rock 'n' Roll.
De rock van Jethro Tull is met dit alles toegankelijker; minder moeilijke breaks of heftige uitbarstingen bijvoorbeeld. Dwarsfluit en folk maken dat die kant van hun muziek onmiddellijk herkenbaar is als Tull. Bij de combinatie van sequencers en scheurende gitaar noemt Nollen de vergelijking met ZZ Top. En verrek! Hoor opener
Steel Monkey en aan het einde
Raising Steam maar!
Fraai is
Budapest met zijn dikke tien minuten en diverse overgangen, dat oorspronkelijk tweeëntwintig minuten duurde. Het uptempo
Jump Start is mijn grootste favoriet van dit album, al sinds mijn kennismaking in 2014.
De groep gaat uitgebreid op tournee, waarbij Perry zijn eigen voorprogramma is doordat Fairport Convention daar staat. Mooie package, die twee groepen samen!
Tourtoetsenist is Don Airey, bekend van Collosseum II en Rainbow. Die vertelt in de bio:
"I had heard a lot of Tull's music before, but it was through hotel walls when I was with Rainbow, because Ritchie Blackmore is such a big Tull fan!"