De Noorse band Motorpsycho is een erg bezige bij. In de jaren ’90 brachten ze de ene klasseplaat na de andere uit, en ook in dit millennium hebben ze al heel wat fraais gemaakt. De laatste jaren zijn ze ook gaan experimenteren met hun geluid, zoals ze dat al hun gehele carrière doen, maar in een andere richting; de progrock en jazz werd veelvuldig geëxploreerd, in navolging van enkele songs op ‘Timothy’s Monster’. ‘Heavy Metal Fruit’ was lekker heavy en ietwat psychedelisch (die afsluiter), ‘The Death Defying Unicorn’ een project dat lichtjes uit z’n boegen barstte van de ambitie, maar voor mij persoonlijk toch nog redelijk geslaagd is (hoewel toch te lang). Op die plaat voegde Motorpsycho (samen met Ståle Storløkken van Supersilent) rock, jazz en klassiek bij elkaar.
De nieuwe plaat ‘Still Life with Eggplant’ is een behoorlijke verademing. Het is geen stijlbreuk (de heren zijn altijd binnen hun eigen contingent), maar klinkt behoorlijk fris, en nergens (nu ja, een kniesoor zou ‘Ratcatcher’ met de vinger wijzen) langdradig. Ik heb de indruk dat het drietal, na het grootse project met Ståle Storløkken, weer wat hunkerden naar hun roots. En dus werd ‘Still Life with Eggplant’ een plaat met wortels in hun vroegere werk, dat met zekerheid.
Toch is er ook die inslag van recenter werk, en daarom kan ik dit wel beduiden als een hybride tussen ‘Heavy Metal Fruit’ en het vroegere werk. Er staan wat langere, naar gejam neigende nummers op, maar met de cover ‘August’ (een behoorlijk eigenzinnige en met een heerlijke gitaarsolo gezegende cover van het nummer van de band Love uit 1969; verre van hun meest bekende nummer, trouwens), en de magnifieke afsluiter ‘The Afterglow’ staan er toch wel twee wat kortere nummers op de plaat. Vooral ‘The Afterglow’ weet me te charmeren, beginnende zo fragiel als een porseleinen beeldje, om dan uit te monden in een gracieuze draaitol. De perfecte laatste meander voor de eindstreep.
Albumopener ‘Hell, Part 1-3’ is een nummer dat sterk neigt naar een jam, maar er zit toch wel degelijk een fraaie opbouw in. Vooral live biedt dit nummer enorme perspectieven om mee te spelen, zou ik zo denken. Nu heb ik de band nog nooit live aan het werk gezien, maar ik vermoed dat de meer doorgewinterde concertgangers dit wel kunnen beamen. ‘Barleycorn (Let It Come / Let It Be)’ lijkt het meest terug te grijpen naar hun hoogvliegers uit de jaren ’90 (‘Blissard’ bijvoorbeeld). Ik kan de lyrics van de songs op dit album nergens vinden, maar ik meende een verwijzing naar ‘The Nerve Tattoo’ te hebben gehoord. Kan het ook mis hebben, natuurlijk. In ieder geval, het is een song die niet te kort is, en niet te lang. Een ideaal compromis, en misschien wel het beste van twee werelden.
Want dat overdaad kan schaden, dat weten we al van hun vorige project. ‘Ratcatcher’ is in feite niet meer dan een, weliswaar groots opgezette, veredelde jam. En dan vind ik 17 minuten ruim van het goede te veel. Natuurlijk komen er passages voorbij die erg goed klinken, en de combinatie van gitaren en de samenzang tussen Bent en Snah klinkt bij vlagen als uit de hemel gezonden. Spijtig genoeg komt dit veel te weinig in het stuk voor, en wordt een groot deel van de song gevuld met oeverloos gepiel. Drummer Kapstad heeft aan dit nummer ook meegeschreven volgens de credits, net als aan ‘Hell, Part 1-3’. Toeval dat net deze nummers de langste zijn, en het meest op jams lijken?
Het feit dat ‘Ratcatcher’ een te prominente rol speelt ten spijt, is dit gewoon weer een donders goed album van de Noren. Ze weten als geen ander zichzelf te heruitvinden, zonder daarbij echt onbekend terrein te betreden. Het plannetje zit zo goed in elkaar, je vraagt je als luisteraar al af wat het volgende puzzelstukje zal worden. En zo blijft Motorpsycho ontzettend relevant en boeiend.
4 sterren