Ik weet nog goed dat ik, zo’n twee jaar geleden, deze artiest leerde kennen. Tenminste, ik dacht dat ik ‘m leerde kennen, want Ben Cooper – de man die schuilgaat achter het alter ego Radical Face – is ook het brein achter Electric President, het duo dat hij samen met Alex Kane vormt, en die in 2010 nog een erg fijne plaat uitbrachten. Maar dat bleek uiteindelijk klein bier ten opzichte van het eerste deel van wat een driedelig project getiteld ‘The Family Tree’ zou gaan worden. ‘The Roots’; een wonderlijk melancholische plaat waarvan ik destijds vond dat menig popartiest er nog heel wat van kon opsteken. En achter die mening sta ik nog steeds.
‘The Branches’ is deel 2 in de trilogie, en wordt door eenieder onvermijdelijk vergeleken met ‘The Roots’. Het merendeel plaatst deze op het reservebankje, en ik moet toegeven dat ik dat ook doe. Omdat ‘The Roots’ zo fantastisch goed is. Deze opvolger is wat minder straf gestoffeerd, en leunt wat mij betreft soms net iets te makkelijk op oeh’s en aah’s. Vooral oeh’s.
Dat is echter een bubbel die je dient te doorprikken. Als je dat obstakel achter de rug hebt, kan je gewoon niet anders dan inzien dat Cooper ons alweer een puike popplaat voorschotelt; instrumentaal zeer uitgekiend, tekstueel wederom briljant. De indie folklaag die over de songs is gedrapeerd, werkt; ik voel me vaak erg comfortabel als ik ernaar luister. Terwijl de teksten zich aan een andere kant van het spectrum bevinden.
De plaat opent met een korte intro, ‘Gray Skies’. Een mistroostige titel, quoi? De opmaat voor het eerste op de meute losgelaten nummer, ‘Holy Branches’. Een song die bescheiden begint, maar lang en breed uitwaait, en zijn glorie vindt in het prachtige refrein, wat eigenlijk een fantastische metafoor voor het leven is. “But everybody’s bones, are just holy branches; cast from trees, to cut patterns in the wood”. Geboren om te snijden. “And in time, we find some shelter; spill our leaves, and then sleep in the earth”. Het nummer gaat er ook over dat ieder mens gedoemd is om een doel voor ogen te hebben, en hoe dat een val op zich kan zijn. Zoiets.
‘The Mute’ dan, met één van de mooiste zinnetjes van het album: “My dad considered me a cross he had to bear”. Een bittere melancholie springt er ook uit naar voren. De personages en gebeurtenissen in deze nummers mogen dan wel grotendeels fictief zijn, inspiratie haal je altijd wel voor een deel bij jezelf. Ik zie daarin twee Ben Coopers naar voren treden; enerzijds de verloren, verlaten jongen; anderzijds de nostalgische dromer. Hij is deze personae echter nooit tegelijkertijd, zoals doorklinkt in ‘Reminders’: “I’m either honest or I’m an optimist; but never both at the same time”.
‘Summer Skeletons’ is een half verdoken folkballade. Muzikaal zou dit eigenlijk zelfs iets te zoet moeten zijn voor mij, maar het is zo verdomd aanstekelijk en ontroerend. Hier treedt de nostalgicus in Cooper prominent naar voren, volop mijmerend over het verraderlijke karakter van een zomer, lang geleden. De koppig vastgeroeste herinneringen kunnen enkel met bloed, zweet en tranen eruit worden gesneden. ‘The Crooked Kind’ en ‘Chains’ zijn twee fijne tussendoortjes, maar geen hoogvliegers; de kracht schuilt weer vooral in de teksten, met het afsluitende zinnetje van ‘Chains’, dat als een gulden middenweg tussen onheil en geluk laveert: “But I’m glad you were my friend; though I may never see you again”.
‘Letters Home’ is één van de meer ingetogen en sobere songs op het album, en dat is ook wel geschikt; het is een geëmotioneerde brief van een zoon die zich stilaan afvraagt wat hij in godsnaam aan het front doet, geadresseerd aan zijn – zonder twijfel – bezorgde moeder. De Belgische band Amatorski heeft het nummer ‘Come Home’ gebaseerd op oude brieven van het front, en hoewel de schrijfstijl heel anders is, zou deze daar ook wel tussen passen. Oprechtheid, zonder te overdrijven. Of hoe een onfortuinlijke schotwond voor katharsis kan zorgen.
‘From the Mouth of an Injured Head’ doet me zeker in het begin van de song vrij weinig, maar stevent af op een erg fraaie laatste minuut. ‘Southern Snow’ begint met een mooi stukje klassiek aandoende piano. In het ongelooflijk mooie CD-boekje (hoewel het niet eens zoveel verschilt van dat van ‘The Roots’; vooral qua kleur) staat overigens een fout, denk ik. Het pianospel dat we in dit nummer horen, zou van de hand van Emeral Cooper zijn, en dat durf ik niet te betwijfelen. Maar er staat bij: “Piano on ‘Summer Snow’”. Cooper koos overigens de zin “I still call her name sometimes, just in case” uit om in het midden van het boekje te laten drukken, op een mistige, grauwe achtergrond van een bos.
‘The Gilded Hand’ is het langste en, zeker op muzikaal vlak, meest ambitieuze nummer van de plaat. De slepende instrumentatie en dito zanglijnen van Cooper zorgen ervoor dat het een heuse ervaring is. Het past niet meteen in het rijtje, maar dat maakt het juist weer aantrekkelijk. Ik weet niet precies waar het over gaat, maar het zou best wel ‘ns over de staalindustrie kunnen gaan. “This metal God is all I know”; “So we walk the empty halls, the dirty walls” en vooral de mooie laatste regels: “You know, our blood’s in the machinery; our heart’s in the machinery; our blood’s in the machinery; and that’s what went away”. Telkens ik die regels hoor, en de manier waarop ze gebracht worden, spookt een dilemma door mijn hoofd; moet ik dit nou goed vinden, of slecht?
Afsluiter ‘We All Go the Same’ snijdt een thema aan dat misschien wat afgezaagd is, en daardoor kan de song zich ook niet meten met het beste materiaal op het album. Maar de manier waarop Cooper het brengt, is toch zeker niet zwak. Of we nu mooi of lelijk zijn, rijk of arm, dik of dun, filantroop of misantroop, dromen of verdrinken, eenzaam of omringd door warmte; als we sterven, zijn we dood. Allemaal. We leven echter wel voort in andermans herinneringen, tot die mensen er weer het loodje bij leggen. Ik voel het exact aan zoals Cooper het uitdrukt: “And you will pray to be stronger, and I won’t pray at all. But either way, we’re both gonna fall”. Uiteindelijk zijn we allemaal verdoemd.
“I’m sorry for everything”, staat te lezen op de achterkant van het boekje. Toch niet voor de prachtige muziek die hij ons heeft geschonken, mag ik hopen. Ik kan zo meteen, als ik het bekijk als een uitspraak naar de muziekliefhebbers toe, enkel toespitsen op het feit dat ‘Second Family Portrait’, dat verscheen op ‘The Bastards: Volume Two’, hier niet opstaat. Want dat is misschien wel het beste nummer dat ik tot nu toe heb gehoord van deze geweldige artiest.
4 sterren