Terwijl hij met Kansas een nieuw album opnam, werkte zanger Steve Walsh tegelijkertijd thuis aan zijn tweede soloalbum. Onvergelijkbaar met zijn solodebuut
Schemer-Dreamer uit 1980. Bovendien heel anders dan de twee albums die hij in 1983 en '85 met
Streets maakte, ondanks de aanwezigheid van twee musici uit die dagen, te weten gitarist Mike Slamer en bassist Billy Greer.
Glossolalia is namelijk veel intenser, heftiger en zwaarder dan wat hij tot dan toe had gemaakt. Zeer virtuoze progrock die de nodige luisterbeurten vraagt om alle details te doorgronden. Hieruit blijkt de invloed van multi-instrumentalist
Trent Gardner met wie Walsh het meeste materiaal schreef en die op alle nummers één van de uitvoerenden was. Laat ik ook niet de Australische drummer Virgil Donati vergeten, die de boel nadrukkelijk heavy houdt.
De argeloze Kansasfan wordt bij de opener
Glossolalia ruw verrast met alle indrukken, waarbij Walsh de grenzen van zijn stem opzoekt; net als op
Freaks of Nature (1995) van Kansas wordt namelijk niet zo melodieus gestart, waarbij een orkaan aan indrukken over de luisteraar wordt uitgestort. Gepeperde elementen van digitale sequencers, metalgitaren en progrockstructuren vechten om het hardst om de aandacht, waarbij na een relatief rustig begin stapsgewijs een muur van geluid verrijst, waarbij veel muzikale thema's langskomen. Heel anders dan de couplet-refreinstructuren van voorheen.
Vervolgens begint het tweede nummer
Serious Wreckage verrassend klein als een pianoballade. Walsh schittert in een verhalend en ernstig nummer, gevolgd door digitale strijkers, akoestische gitaar, kooreffecten en een tekst over een overleden kind.
In
Heart Attack klinkt de invloed van funkmetal, maar dan wel via het filter van de progrock van Walsh en Gardner. Heel veel ideeën komen voorbij in het vierde nummer
Kansas, dat met zijn grimmige slot verhaalt over een reis naar Santa Fé in New Mexico, alsof het de monumentale serie Breaking Bad voorzag. Een enkele keer klinkt een pakkende synthriff, zoals in
That What Love's All About, maar ook die compositie is ronduit stevig.
Met al dit virtuoze geweld zou je niet verwachten wat in
Nothing valt te horen, namelijk een lapsteelgitaar zodat bijna een countrysfeer ontstaat. In rockjasje.
Na dit kleinood start
Haunted Man met zijn akoestische gitaar eveneens klein, bij het refrein is de gitaarmuur terug en let eens op wat Walsh hier met zijn stem doet.
Smackin' the Clowns begint met enkele geluidseffecten (filmfragmenten?), gevolgd door een zware en gecompliceerde gitaarriff.
Wat de boel extra intens maakt zijn de nodige "special effects" die uit de digitale trukendoos van Gardner komen, zoals de orkestrale accenten in
Mascara Tears.
Het slepende
Rebecca rondt dit sterke album relatief ontspannen af en plotseling realiseer ik me af dat ik bij dit album nooit meer het verhaal las dat "Steve Walsh niet meer kan zingen", wat enkele jaren eerder werd beweerd. Jazeker, hij is hoorbaar ouder en zijn stem is lager; maar de rauwe rafels in zijn stem bieden de nodige extra emotie.
Ook opvallend is dat Slamer een compleet andere gitaarstijl neerzet dan indertijd met Streets. Toen hoorde ik nogal eens de invloed van Eddie van Halen, hier klinkt een veel steviger geluid; progmetal anno 2000.
Walsh wilde hoorbaar vermijden dat dit als een bleek kopie van Kansas' eveneens sterke
Somewhere to Elsewhere zou klinken, dat twee maanden eerder verscheen (juli 2000,
Glossolalia dus in september, beiden bij het label Magna Carta). Trent Gardner maakte het mede mogelijk, met fantastische muzikanten als extra troeven.