Dit is een album wat ik nooit één keer maar altijd twee keer draai: de eerste keer om te wennen aan die horribele platgeslagen jaren-80-sound van eenvormige keyboards, overstuurde gitaar en elektronische of in ieder geval zwaar elektronisch klinkende drums (als ik die snaredrum van Long lost brother of mine hoor zie ik altijd zo'n overbelichte videoclip voor me waarin bij elke klap op de snaredrum het water dat de visueel ingestelde regisseur daarin heeft gegooid vol "lens flares" opspat), en de tweede keer om te genieten van de talloze fraaie melodieën en instrumentale vondsten.
Want daar komt het voor mij op neer: ondanks dat vervelende gedateerde geluid vind ik dit eigenlijk een geweldige plaat, met drie lange epossen waarvan er twee (Brother of mine en Order of the universe) ouderwets goed geconstrueerd zijn en de derde (Quartet) uit vier ontroerende miniatuurtjes bestaat. Die lange nummers worden ook heel effectief afgewisseld met kortere tracks die eigenlijk net zo mooi (The meeting) en op hun plaats (Let's pretend) zijn, en zelfs aan Teakbois kan ik geen hekel hebben: in principe vind ik dat vrolijke Caribische gedoe verschrikkelijk, maar vanaf het moment dat "Bobby Dredd and the kool running" wordt gezongen krijgt het nummer een wat serieuzer sfeer, en de instrumentale afronding is best aardig.
En tja, de teksten van Jon Anderson, ik ken geen andere band die mij zo dierbaar is en waarvan de teksten tegelijk zo totaal onzinnig zijn, "fantastically bad poetry" zoals een Engelse recensent ooit schreef, maar dat dondert ook op deze plaat weer niet, ze passen perfect bij de muziek, de klemtonen vallen prima in de maat, en je kan ze heerlijk meeblèren. (Hoewel je die Engelse recensenten ook niet op hun woord moet geloven: ik had indertijd een CD-ROM van Music Central 97 met daarop een review van het Engelse muziekblad Q toen een serie albums van Yes voor het eerst op CD verscheen: "Even in our generous, retroscopic climate, these 15 albums constitute a uniquely punishing oeuvre." Yuck.)