‘Om’ van de Roemeense metalband Negurã Bunget is een plaat die ik al lange tijd wilde bespreken. Dat is er om diverse redenen nooit echt van gekomen, maar je kan zoiets niet blijven uitstellen, natuurlijk. Vandaag is dan ook de dag aangebroken om het schrijven een aanvang te laten nemen.
‘Om’ is Roemeens voor ‘Mens’. Die is dan ook het centrale thema op deze plaat. Vooral de gruwelijke kanten worden belicht, en dat klinkt ook op uit de muziek; Negru en zijn kompanen maken op een aparte manier bijzonder sfeervolle muziek, en hebben een frisse aanpak en dito ideeën.
Zo begint de plaat met gefluister dat zo nu en dan uitmondt in een wanhopige schreeuw, beklemmende geluiden en op het eind spookachtig gezang, dat de brug slaat naar het eerste echte nummer, ‘Tesarul de Lumini’. Als een geseling komt het dissonante gitaarwerk op je afgevlogen, laag per laag per laag. Opvallend: het duurt vrij lang vooraleer de drummer ook een woordje mag meepraten. De riff is tegen die tijd al een keer of drie van koers veranderd, maar die invallende drums zorgen ervoor dat de song pas echt op gang komt. ‘Tesarul de Lumini’ is een kastaar van ruim 12 minuten, die de luisteraar meteen alle hoeken van de kamer laat zien. Euh, laat horen.
Na een dikke vier minuten komt er een versnelling in het tot dan heerlijk slepende nummer, en voel je de energie zich langs alle kanten opdringen, net als de vocalen, die van donker over gemeen naar ronduit angstaanjagend gaan. De keyboards zorgen voor een melancholisch tintje. Of er nu wordt versneld, of men laat het even varen, het tempo voelt als het ware altijd perfect aan. Maar natuurlijk zijn de plotse versnellingen, gepaard met de nodige agressieve grunts, het heerlijkst. Tijdens dit album hoor je trouwens meer gebeuren dan op sommige gehele albums. Het is nu geen pleidooi voor kwantiteit voor kwaliteit, maar als de twee aan elkaar worden gekoppeld, waarom niet?
Een lange outro doet ‘Tesarul de Lumini’ uitgeleide; ‘Primul Om’ vangt aan met spoken word, daarna een “Ooooooooooom” zoals je wel ‘ns bij sektes hoort, met wat primitief getrommel op de achtergrond, en een dreigende soundscape. Ergens halfweg komen we dan atypische instrumenten tegen, zoals een blaasinstrument en xylofoon (al ben ik niet zeker van dat tweede). Dit versterkt de sfeer enkel, de eerste mens ontspruit uit het licht; de kennis volgt.
‘Cunoasterea Tacuta’ gooit er meteen ferm de beuk in, en leunt qua gitaargeluid behoorlijk aan tegen ‘Tesarul de Lumini’ in het begin, zonder er echt op te lijken. Knap gedaan. De cleane vocalen nemen nu ook deel aan het spel, en vormen een waardige antagonist voor de ijselijke grunts. Een duivelse riff begint je ondertussen op te jagen, en ook het mysterieuze getik laat weer van zich horen. Ook dit nummer zit vol wendingen, vooral griezelige wendingen, die het oude Transylvanië in herinneringen brengen. Negurã Bunget is meer dan een band die black metal speelt, ze nemen het genre mee uit naar plaatsen waar het nooit eerder geweest is, of toch niet bijster vaak. Ik zou het geluid bij vlagen zelfs vernieuwend durven noemen. Ook gewaagd, wat het niet erg hoge gemiddelde wel rechtvaardigt; je zal altijd voor- en tegenstanders hebben van deze plaat.
‘Inarborat’ begint weer met één of ander blaasinstrument (in het CD-boekje “Pipe” genoemd), het zal misschien een instrument zijn uit de Roemeense folklore. De intro van dit nummer heeft best wat folkinvloeden, wat niet onlogisch is, gezien de wortels van deze band, en de band met de natuur. Maar wanneer het nummer dan losbarst als een duivel uit een doosje, is de agressie weer aanvoerder. De snellere stukken wisselen af met tragere, slepender, lichtjes melancholische passages. De cleane vocalen hebben in dit nummer niet meer dan een bijrol, moeten een beetje machteloos toekijken op de dominantie van de grunts van Hupogrammus, die niet alleen de vocalen voor z’n rekening neemt, maar ook de “pipes”, en ook de keyboards en gitaren(samen met Sol Faur). Met die Sol Faur verliet hij trouwens in 2009 de band, om zich volledig te wijden aan een ander project in de metalwereld; Dordeduh. Die band ken ik nog niet, maar ik zou het toch maar ‘ns moeten gaan beluisteren, want wat ‘Om’ laat horen, is soms buiten categorie.
‘Dedesuptul’ zet in, en alweer hoor ik hetzelfde soort geluid terug; er zit echt eenheid in deze plaat, ondanks de verscheidenheid. Want na pakweg anderhalve minuut kent het nummer een wak, waarin er bizarre rust genomen wordt, en het zelfs wat jazzy wordt. Na een nieuwe versnelling komt er weer een wat zompiger stuk, met een bijzonder gaaf en creepy keyboardlijntje. De angst is beklemmend, de angst komt van beneden, en kruipt langzaam naar boven, als een ijsstraal alles bevriezend. De percussie heeft wat weg van losse jazz, bij momenten. Een horrorsfeertje dwingt zich naar de oppervlakte. De outro draagt daar alleen toe bij.
‘Norilor’ is een bijzonder vreemd stukje muziek, althans op zo’n album en op die plaats. Nochtans is het erg geslaagd; percussie in gevecht met zichzelf, dreigende keyboards, een lichte zwijm van strijkers. Bij nader inzien past dit puzzelstukje wel degelijk in de puzzel, zonder wringen. Het stuwende ritme van de drums stoomt de luisteraar klaar voor de volgende vuurpijl.
En ja hoor, ook ‘De Piatra’ klinkt bijzonder bekend binnen de context van deze plaat. Er wordt agressief aangevangen, misschien wel de meest agressieve song op het album. Wanneer het tempo dan toch wat daalt, blijft de ondertoon erg agressief en bijtend. Halverwege komt de spookachtige zang weer terug, die je ook hoorde bij het eerste nummer. Het doet me altijd denken aan een bedrieglijke Sirene, die haar aanlokkelijk gezang eropuit stuurt, in de hoop reddeloze schippers te strikken. Met levend verslinden als gevolg.
‘Cel Din Urma Vis’ zet aan met een machtige riff, een steunpilaar om U tegen te zeggen, en volgt dezelfde strategie als dat andere lange nummer; de drums ontbreken in het begin namelijk, en zetten pas in na goed een minuut, dit keer in een meer ondergeschikte rol. Een tempowisseling volgt, echoënde zang op de achtergrond, eens te meer krijg je het gevoel spoken te zien, en te horen. Het is slechts een illusie, een droom waar Hupogrammos je op een rauwe en bruuske manier uithelpt. Het gitaarwerk is wederom van bijzonder hoge kwaliteit, er zijn genoeg details te bespeuren om bezig te blijven met ontdekken, en de vele tempowisselingen maken het een erg interessante en veelzijdige song, een epos zelfs. Een lang, sferisch tussenstuk luidt deel 2 van de het nummer in. Een huiveringwekkende finale dient zich aan, de meest grootse sfeer tot nu toe.
En dan, een abrupt einde, en het hysterische begin van ‘Hora Soarelui’. Weerklinkt hier het instrument dat in het boekje “panpipe” wordt genoemd? Het klinkt alleszins als eensoort panfluit, maar dan zwaarder. Niets geen Peruviaanse panfluitmuziek, dus, maar wel behoorlijke bevreemdend. Weer zo’n passages die je eraan herinnert dat dit niet zomaar het zoveelste metalplaatje is. Die onconventionele instrumenten nemen zelfs de bovenhand op dit nummer, tot er naar het einde toe toch weer zo’n machtige gitaarriff weerklinkt. ‘Al Doilea Om’ is het sluitstuk van de plaat. De eerste mens is niet langer alleen op de wereld, een tweede exemplaar is gearriveerd. Een dreigende sfeer legt zijn wil op, een tweede keer horen we “Oooooooooom”. De harmonie met de natuur is verbroken.
Ik heb deze plaat nu in een tijdsbestek van minder dan 24 uur driemaal beluisterd. Één keer ’s nachts, één keer ’s morgens, en tenslotte ook nog daarnet. De plaat kent wat dat betreft misschien een lichte voorkeur voor de nacht, maar is eigenlijk niet zozeer gebonden aan een tijdstip. Het is, in mijn ervaring, een plaat die je altijd kan beluisteren, die wel wat vereist van de luisteraar, maar best te doen is. Een aanrader voor iedereen die van metal houdt, en ook wel van wat meer. Die niet vies is van een experiment. ‘Om’ is de eerste episode van het verhaal van de mens in de Roemeense interpretatie, en het is een bijzonder mooie episode.
4,5 sterren