De driedubbelklapper
Michigan /
Seven Swans /
Illinois is in deze tijd bijna ondenkbaar: drie Sufjanplaten in drie jaar tijd, alle drie van begin tot eind foutloos. Omdat deze albums me nog altijd zo dierbaar zijn, is het lastig om
The Ascension te beoordelen zonder een zweem van valse nostalgie. Of het mijn oordeel heeft beïnvloed, ik weet het niet. Ik hou mezelf maar tevergeefs voor dat ik tot hetzelfde oordeel over het teleurstellende
The Ascension was gekomen als het album door een artiest was gemaakt waar ik voorheen nog nooit van had gehoord.
Ik kan me niet aan het gevoel onttrekken dat Sufjan dit album grotendeels op autopilot heeft gemaakt: weinig interessante ideeën die elk toch worden uitgebouwd tot liedjes, en die elk plichtmatig naar een einde toe worden gedirigeerd. Het blijkt ook al uit
interviews die hij heeft gegeven: het doelbewust aansturen op tekstuele algemeenheden, de ergerniswekkende
love-will-last-forever's en
sing-that-sad-song's, om daarmee een soort verborgen diepere betekenis aan te boren die totaal aan me voorbijgaat. Het voelt voor mij eerder als excuus voor een diepgeworteld gebrek aan inspiratie, die zich ook laat gelden in de muzikale omlijsting van deze holle teksten: vrijwel alles zit gevangen in hetzelfde modderige, dichtgeplamuurde, zielloze geluid, drums die niets aan kracht hebben, flinterdunne schelle synthesizergeluiden die elk nummer het karakter meegeven van een wespennest.
Sufjan komt uit Detroit; natuurlijk heb je dan techno door je aderen stromen, en die invloed op deze plaat is onmiskenbaar. Maar waar het precieze geluid van techno juist zo effectief is, minimale middelen voor een overweldigend effect, lijkt Sufjan hier niet verder te komen dan wat nabootsing zonder te weten wat hij precies moet doen. Neem de finale van
Make Me an Offer I Cannot Refuse, wat had moeten klinken als een dikke technotrack, maar in onbekwame handen eerder klinkt als een dj-setje door computerspeakers. Of
Gilgamesh, die zo graag een Mark Bell-productie anno
Homogenic had willen zijn, maar met zijn matte, karakterloze geluid totaal niet overtuigt.
Ativan,
Die Happy,
Ursa Major, elk nummer opnieuw loopt met zijn wielen vast in hetzelfde moeras aan synthesizereffecten, echo's op de vocalen, en noem maar op.
Luister je door de productie heen dan blijkt het merendeel van de nummers ook totaal geen eeuwigheidswaarde te hebben. De single
Video Game (
"I don't wanna play, I don't wanna play, I just wanna go away") had met het eerste couplet zijn punt al gemaakt en sleept zich, net zoals bijvoorbeeld
Ativan en
Landslide, verveeld naar het einde toe. Singles
America en
Sugar lieten me totaal koud, en het "Mad World"-plagiaat inclusief hondsberoerde samplegekte van
Lamentations is misschien wel de grootste miskleun die Sufjan ooit heeft gemaakt.
Oplevingen zijn er, maar ze zijn spaarzaam: hoewel het ten onder gaat in de vervelende productie (mijn god, die "I wanna love you"-sample), is
Ursa Major eigenlijk best een mooi liedje, en ook
Tell Me You Love Me is fraai.
The Ascension (het liedje) zou op een betere plaat niet hebben misstaan als een soort van coda, de kalme begeleiding naar de laatste seconden van het album toe. Het is tekenend dat juist zo'n nummer op dit album nog één van de betere pogingen blijkt te zijn, maar helaas is het slechts de kalme begeleiding naar het dodelijk saaie
America.
The Ascension moet liefst drie kwartier duren voordat we eindelijk een oprechte knaller te pakken hebben met de twee-eenheid van
Death Star en
Goodbye to All That: hier horen we een zelfverzekerde Sufjan, die niet klinkt alsof hij zich geen raad wist met de productie. Kaal, effectief en spannend, met de beats frontaal naar voren gedrukt,
Death Star is geen ontsnappen aan. Hoe dit mechanische gebeuk vervolgens overvloeit in de betoverende vocalen van
Goodbye to All That levert het kippenvelmoment op waarop ik het hele album al tevergeefs wachtte.
Al met al is
The Ascension voorlopig een grote teleurstelling, die zich ook na drie draaibeurten niet heeft weten te openbaren. Ik had hem voelen aankomen: uit alles bleek dat
The Ascension meer in het verlengde zou liggen van
The Age of Adz, en hoewel op dat album een aantal parels staan die op
The Ascension veelal ontbreken, heeft het me ook nooit echt weten te raken. Maar goed, is het erg dat het mijn ding niet is? Vroeger vreesde ik met grote vrezen voor elk nieuw album van een geliefde artiest, uit angst dat een tegenvaller meteen een smet op het gehele oeuvre zou betekenen. Maar dat is natuurlijk onzin.