MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Muziek / Toplijsten en favorieten / Dust on my Boots (vergeten en minder vergeten rootsplaten)

zoeken in:
avatar van L_T_B
Barbara Dane - Barbara Dane and the Chambers Brothers (1966)

(afbeelding)


Trackpick: It Isn't Nice

Aan de vooravond van de Great Depression en in de nasleep van de ergste rassenrellen uit de Amerikaanse geschiedenis trokken de ouders van Barbara Dane in de jaren '20 van Arkansas naar Detroit, Michigan. Op 12 mei 1927 werd Barbara Dane daar geboren als Barbara Jean Spillman. Als kind zong en speelde ze piano op zondagsschool. Medio jaren '40 begon ze zich te interesseren voor burgerrechten en de feministische beweging. In 1949 verhuisde ze naar San Francisco alwaar ze begon op te treden met folk- en jazzsongs. Ze werkte samen met onder andere Pete Seeger, Kid Ory, George Lewis en Turk Murphy, trad op op diverse festivals en had zelfs een eigen tv-programma.

In 1966 ondernam Dane een opmerkelijke stap door een album op te nemen met de soulgroep The Chamber Brothers, die 3 jaar later nog een bescheiden hit scoorden met "Time Has Come Today". Het resultaat is een wonderlijke samensmelting van de folk-blues van Dane en de bluesy soul van The Chamber Brothers. Het album trapt af met "It Isn't Nice" en "You've Got to Reap What You Sow". Beide nummers zijn diep geworteld in de burgerrechtenbeweging en zijn tekstueel nog even sterk als 45 jaar geleden. Daarna volgt een cover van de in 1966 overleden singer/songwriter Richard Fariña; "Pack Up Your Sorrows". Het tweede deel van het album bevat bevat vooral negro spirituals waarop de samenzang van The Chamber Brothers geheel tot zijn recht komt met nummers als "Come By Here" ("Kumbaya"), "Freedom is a Constant Sorrow" en "Go Tell It on the Mountain".

avatar
Benno
Blind Willie Johnson – Blind Willie Johnson (1927-1930/1993)


(afbeelding)


Trackpick: John The Revelator

Blind Willie Johnson werd in 1897 geboren in Temple, Texas. Dat is een kleine plaats net ten noorden (in Texaanse afstanden dan) van Austin. Hij verloor zijn zicht op jonge leeftijd en trok vervolgens met zijn gitaar het Amerikaanse zuiden door om geld te verdienen en, voor hem ongetwijfeld veel belangrijker, om het woord van God te verkondigen. Zijn dood is even tragisch als zijn harde leven: op 47-jarige leeftijd realiseerde hij zijn droom en stichtte hij zijn eigen kerk in Bentham, Texas. Een jaar later stierf hij aan de gevolgen van malaria.

Als deze dertig verzamelde kantjes nam Johnson op in een relatief korte periode voor Columbia. Hoewel veel artiesten schatplichtig zijn aan Johnson (neem een Bob Dylan, Led Zeppelin of Nick Cave) was hij grotendeels vergeten in de jaren vijftig. Het was de verdienste van Harry Smith, die hem op zijn Anthology plaatste, dat hij niet vergeten is.

De muziek bestaat uit unieke rauwe blues verkondigd met veel vuur. Johnson begeleid zichzelf op slideguitar (en doet dat waanzinnig goed). Op een aantal van de nummers is ook een vrouwenstem te horen. Wie dat precies is niet bekend, maar de combinatie van haar buitenwereldlijke gezang met de rauwe raspende stem van Johnson is niet te versmaden.

Tekstueel zijn de nummers allemaal religieus van aard hoewel er ook aanwijzingen zijn dat zij een onderliggende laag bevatten. Deze laag zou onder meer verwijzen naar het harde leven van de arme Amerikaanse (zwarte) bevolking en andere misstanden in de Amerikaanse maatschappij.

avatar van L_T_B
Frank Hutchison - Complete Recorded Works Volume 1 (1997)

(afbeelding)


Trackpick: The Train That Carried the Girl from Town

Elvis Presley wordt meestal gezien als de eerste blanke artiest die het aandurfde om elementen uit de zwarte muziek in zijn composities te gebruiken. Maar niets is minder waar. Halverwege de jaren '20 was het de uit West Virginia afkomtige mijnwerker Frank Hutchison die als eerste blanke bluesartiest zijn "zwarte" muziek opnam. Tussen 1926 en 1929 nam hij in totaal 44 nummer op voor Okeh Records waarvan er een negental niet zijn uitgebracht. Hutchison maakte in die jaren al gebruik van slidetechnieken. Een manier van gitaarspelen die hij omstreeks 1905 had geleerd van de zwarte gitarist Henry Vaughn. Deze techniek, die pas in 1923 voor de eerste maal (op plaat) werd gebruikt, begon in de late jaren '20 en begin jaren '30 aan populariteit te winnen. Vooral onder zwarte gospel/blues zangers als Blind Willie McTell, Mississippi Fred McDowell, Son House en Robert Johnson. Bij gebrek aan andere hulpmiddelen gebruikte Hutchison bij zijn eerste opnames een zakmes als slide.

De nummers op dit album zijn - zoals veel voorkomend bij Document Records - geplaatst in chonologische volgorde. De opnames zijn in 4 sessies opgenomen, éénmaal in 1926, tweemaal in 1927 en éénmaal in 1928. De geluidskwaliteit van de opnames is verbluffend helder. Enkel bij de eerst takes van "Worried Blues" en "The Train That Carried the Girl From Town" is duidelijk te horen dat dit opnames van ruim 80 (!) jaar oud zijn. Hutchison nam - zoals A.P. Cater dat ook deed - veel nummers op die hij had overgenomen van zwarte artiesten. Zo leerde hij onder andere "Worried Blues" van de zwarte steelgitarist, Bill Hunt, die zelf geen opnamen naliet.

Enkele jaren na zijn laatste opnamen in 1929 verliet Hutchison de kolenmijnen van Logan County. Samen met zijn vrouw exploiteerde hij daarna een supermarkt en postkantoor in Lake, West Virginia. Maar hij verloor alles, inclusief zijn wonig boven de winkel, toen het complete pand in april 1942 afbrandde. Na verluid was hij zo ontdaan door deze gebeurtenis dat dit resulteerde in een alcoholverslaving. Korte tijd later keerde hij weer terug naar Ohio en werkte daar als entertainer op een rivierboot op de Ohio-rivier. Hij stierf in 1945 in Dayton aan de gevolgen van leverkanker.

avatar van pjh1967
Klasse topic !! Ben nu op Spotify Frank Hutchison aan het beluisteren. Ga snel met terugwerkende kracht de platen langs die ik nog niet ken. Benno en L_T_B alvast bedankt voor de ontdekkingen die ik nog ga doen.

avatar van Reijersen
Blind Willie Johnson, Barbara Dane en The Abyssinian Baptist Gospel Choir hebben mij weten te boeien. Toch leuk op deze manier nieuwe dingen te ontdekken.

Leuke stukjes tekst ook!

avatar van pjh1967
Reijersen schreef:
Toch leuk op deze manier nieuwe dingen te ontdekken.


In dit geval zijn het oude dingen

avatar van Masimo
Jeeuh, na een maand was ik al bang dat jullie dit topic misschien stop hadden gezet, blij dat dat niet zo is! En wederom weer een hele leuke, die Frank Hutchinson!

Keep up the good work!

avatar
Benno
George Jones – The Grand Tour (1974)


(afbeelding)


Trackpick: The Grand Tour

George Jones behoort tot de absolute royalty van de country. Hij behaalde maar liefst veertien keer de eerste plaats in de countrycharts en was bovendien getrouwd met een andere countryster, Tammy Wynette. Deze plaat werd opgenomen vlak voor Jones van Wynette zou scheiden (en zij er en passant vandoor ging met een van zijn tekstschrijvers). Deze plaat wordt dan ook algemeen beschouwd als de echtscheidingsplaat van Jones, met name in het nummer The Grand Tour, maar zij bevat ook vrolijkere momenten en zelfs wat up-tempo nummers.

Inhoudelijk gezien is Jones hier op de toppen van zijn kunnen, hoewel hij over de hele linie van zijn imposante carrière goede platen heeft gemaakt. De kwaliteit van deze plaat binnen zijn oeuvre zit erin dat deze vlak is opgenomen voor zijn cocaïnemisbruik (ingegeven door zijn scheiding en zijn drukke tourschema). Overigens was hij sowieso een stevige drinker: al in de jaren zestig deed zich een beroemd incident voor. Jones wilde naar de slijter rijden maar zijn tweede vrouw (Shirley Corley) stond dit hem niet toe. Zodoende pakte hij met zijn bezopen kop de grasmaaier en werd gearresteerd.

Overigens heeft Jones ook de twijfelachtige eer om als een van de eerste countrysterren zijn nummers gedraaid de krijgen op de commerciële radio. Dat is er ook wel aan af te horen: de steelgitaren en de strijkers doen kitscherig aan. Toch is de emotie op deze plaat oprecht.

avatar van pjh1967
Ook weer zo'n mooie. Dit werd thuis vroeger veel gedraaid (maar ook Marty Robbins, Buck Owens, Johnny Cash...). Geweldige stem heeft die man toch. Snap het kitscherige, maar dat heeft ook wel weer z'n charme. Voor de beginnende George Jones volger is er een mooie instapverzamelaar [The Spirit of Country]

avatar van L_T_B
Barbecue Bob - The Essential Barbecue Bob (2001)

(afbeelding)


Trackpick: I'm On My Way Down Home

In het begin van de vorige eeuw werden zwarte muzikante dikwijls vernoemd naar hun uiterlijke kenmerken; Blind Willie McTell, Peg Leg Sam of Barbecue Bob. Bob's werkelijke naam was Robert Hicks, een blueszanger uit Georgia. Hicks werkte als kok in Tidwell's Barbecue Place, een restaurant in het noorden van Atlanta toen hij ontdekt werd door Dan Hornsby, een talentscout van Columbia Records. De maatschappij besloot Hicks' baan te gebruiken als gimmick en gaf hem zodoende de naam Barbecue Bob. Ook op publiciteitsfoto's was hij in kokskleding te zien zoals te zien is op een van de twee nog overgebleven foto's.

Hicks werd geboren op 11 september 1902 in Walnut Grove. Samen met zijn ouders en broer, Charley "Lincoln" Hicks, verhuisde hij op jonge leeftijd naar Newton County. Daar kwam hij in contact met Savannah "Dip" Weaver aan haar zoon Curley. Tezamen met de Weavers leerde de gebroeders Hicks gitaar spelen en vormde ze hun eigen muziekgroep. In 1922 voegde country blues harmonicaspeler Eddie Mapp zich ook bij de groep. Gedurende een aantal jaren in de vroege tot midden-jaren '20 speelde deze groep op feesten en dancings in en rondom Atlanta. Robert Hicks was het eerste lid van de groep die commercieel succes genoot nadat hij onder contract kwam te staan van Columbia Records. Tussen 1927 en 1930 nam hij in totaal 65 nummers op waarvan het merendeel op dit verzamelalbum te horen is. Praktisch alle nummers zijn opgenomen in Atlanta, met uitzondering van een korte opnamesessie (15 en 16 juni 1927) in New York. In december 1930 nam hij als lid van the Georgia Cotton Pickers (met onder meer Curley Weaver) verschillende nummers op. Het zouden zijn laatste opnames zijn. Hij stierf in 1931 op 29-jarige leeftijd aan de gevolgen van een combinatie van tuberculose en longontsteking, veroorzaakt door influenza. Eerder dat jaar was ook zijn vrouw aan een longontsteking bezweken.

Barbecue Bob is van grote invloed geweest op de latere Atlanta-bluesmuzikanten als Blind Willie McTell, Buddy Moss en Curley Weaver. Hij speelde op zijn opnames een 12-snarige Stella gitaar, maar hij kon evengoed overweg met een zes-snarige gitaar. Ook maakte hij al gebruik van een aantal bottleneck slide technieken. Een song van Hicks, "Motherless Child Blues", verscheen in 1974 op het album "461 Ocean Boulevard" van Eric Clapton.

avatar van George
Prachtige verhandeling over Barbecue Bob.

De blueskenner herkent natuurlijk in I'm on my way down home direkt de bluesstandaard Sittin' on top of the world.
Uit 1930 :

YouTube - Sitting On Top Of The World

avatar
Benno
Sister Rosetta Tharpe - The Original Soul Sister


(afbeelding)


Trackpick: Didn't It Rain

Deze vrouw is werkelijk ongelofelijk: zij werd geboren in een behoorlijk gelovig gezin en begon haar carrière al zingend en gitaar spelend van plantage tot plantage, het woord van God verkondigend aan de zwarte arbeiders daar.

Haar carrière is in drie delen te verdelen. In haar vroege periode had zij hits met een combinatie van gospel, blues en jazz. Zij koos voor originele gospelnummers maar gaf ze, beïnvloed door haar jeugd en door het wilde leven in de grote stad, explosieve arrangementen. Hiermee bereikte zij een groot - zwart - publiek. Haar populariteit werd nog wel het meest duidelijk rond haar huwelijk: zij trouwde in een stadion en er werden kaarten voor verkocht. Na de plechtigheid gaf Tharpe een verpletterend optreden.

Na de Tweede Wereldoorlog werd haar muziek minder populair. Zij koos steeds sterker voor een religieus repertoire maar kon hiervoor geen publiek vinden. Haar fans uit haar vroege periode vonden haar te modern terwijl de niet-religieuzen de muziek weer ouderwets vonden. Zeker nadat zij zich meer ging bezighouden met haar gezinsleven (ze trouwde in 1951) was haar carrière volgens velen voorbij.

Toch werd zij onverwacht weer populair. Jonge artiesten begonnen zich te interesseren voor haar muziek. Met name in Engeland was er veel aandacht voor bluesmuziek - de muziek die de jonge Clapton, Led Zeppelin en The Rolling Stones veel zouden luisteren. Zodoende trok zij in de jaren zestig met een aantal andere Amerikaanse bluesartiesten. Ook voor bijvoorbeeld Muddy Waters zou deze hernieuwde aandacht leiden tot een nieuwe fase in zijn leven. Helaas mocht het voor Tharpe niet lang duren: in 1970 overleed zij en werd begraven in een anoniem graf.

De gekozen CD-box biedt een ontzettend goed overzicht van haar hele carrière en is desondanks niet al te prijzig. Zodoende een verplichte aanschaf voor eigenlijk iedereen. Voor wie meer wil horen zijn ook de filmpjes op YouTube een aanrader die ook nog eens een schat aan historische informatie bevatten (ze hier allemaal bespreken gaat alleen wat ver).

avatar van L_T_B
Jim & Jean - Changes (1966)

(afbeelding)


Trackpick: Crucifixion

Folkduo's waren een veel voorkomend fenomeen tijdens de folkrevival van de jaren '60. Ian & Sylvia, Richard & Mimi Fariña en ook Jim Glover en Jean Ray oftewel Jim & Jean. Waar de eerstgenoemde duo's heden ten dage nog bekendheid genieten zijn Jim & Jean helaas in de vergetelheid geraakt. De enige (compilatie-)cd die van het duo verkrijgbaar is, is een samenvoeging van hun twee albums voor Verve verpakt in een een spuuglelijke hoes. En toch is de muziek van het tweetal in meerdere opzichten erg interessant.

Jim Glover was al op jonge leeftijd bevriend met Phil Ochs. In 1960 kwam Glover's gitaar door een weddenschap (de overwinning van Kennedy op Nixon) in eigendom van Ochs. Geïnspireerd door de muziek waarmee Glover hem in aanraking had gebracht, begon Ochs nummers te schrijven. Niet lang daarna vormden Jim en Phil een duo en noemde zich The Singing Socialists (later, wellicht door commerciële redenen, werd de naam gewijzigd in The Sundowners). Het duo is echter maar enkele maanden actief en valt uiteen wanneer Glover in 1961 naar New York vertrekt. In datzelfde jaar ontmoet Glover in het Café Raffio in New York City Jean Ray. Deze ontmoeting resulteert in een vriendschap en zelfs in een kortstondig huwelijk. Jim & Jean zijn graag geziene gasten in Café Raffio en treden daar ook regelmatig op. Door middel van deze optredens wordt genoeg verdiend om een appartement te huren aan Thompson Street. In 1962 komt Phil Ochs bij het stel inwonen en ook hij begint op te treden in lokale folkclubs. Jean stelt haar vriendin Alice Skinner aan Phil voor en al snel trekt hij bij haar in en nog in datzelfde jaar trouwt hij met haar.

Dit tweede album van Jim & Jean bevat composities van enkele van de beste songwriters uit de jaren '60. Naast drie eigen nummers van Glover bestaat dit album uit drie nummers van David Blue, drie van Phil Ochs, één van Eric Anderson en één van Bob Dylan. Jim & Jean waren ook de eersten die "Crucifixion" opnamen. Het nummer verscheen een jaar later pas op Ochs' album "Pleasures of the Harbor". Door de invloed van Phil Ochs, Al Kooper (sessiegitarist) en Paul Harris (keyboard) is dit niet een standaard luchtig folk-pop album; alhoewel die nummers ook op dit album aanwezig zijn. Eerder is dit een vernuftigd folk-rock geheel met psychedelische invloeden en politieke- en maatschappijkritische teksten.

avatar
Benno
Memphis Jug Band - The Best of the Memphis Jug Band (1927-1934/2001)


(afbeelding)


Trackpick: Cocaine Habit Blues

De Memphis Jug Band is een legendarische naam binnen de traditionele Amerikaanse muziek van de jaren twintig en dertig. Eigenlijk is de naam misleidend: de groep bestond simpelweg uit bandleider Will Shade en de mensen die hij besloot mee te brengen naar de optredens. Zo kon het zo maar gebeuren dat Memphis Minnie bij de groep speelde (voor zij een solocarrière ondernam). Shade richtte de band op na het horen van de Dixieland Jug Blowers, een groep die, de naam zegt het al, zich meer richtte op jazzmuziek dan op de blues.

De muziek van de Memphis Jug Band is lang het terrein geweest van onderzoek naar folkloristische gebruiken. Het instrumentarium is dan ook ongebruikelijk: veel instrumenten werden door de muzikanten zelf gemaakt, en dan is er nog een centrale rol voor de jug. Eigenlijk alles wat besnaard kon worden of waarop geblazen kon worden kon dienst doen. Zo speelde bandleider Will Shade ook regelmatig op een Washtub Bass (het geluid resoneert in de kuip). Het raspende geluid werd gecombineerd met samenzang. Een unieke combinatie die dan ook veel groepen inspireerde. Vooral in vroege nummers van grote groepen uit de jaren zestig (Grateful Dead, Creedence Clearwater Revival) is de invloed duidelijk te horen. De covers en als eerbetoon opgenomen nummers zijn dan ook talrijk.

De Jug Bands kunnen tegelijk worden gerekend tot de eerste eclectische musici. Zij speelden simpelweg iedere stijl die zij op dat moment voelden. Vervolgens combineerden zij die ook - een voordeel van het spelen in groepsverband; met een grote verscheidenheid aan instrumenten. Het gevolg is een onmiskenbaar spelplezier. Deze muziek is met ontzettend veel liefde gemaakt.

avatar
Benno
Een klein intermezzo: zo juist las ik in het blad Wire over de Alan Lomax Archives. Er is recent een YouTube-kanaal opgezet waarop de beelden uit dit archief verschijnen (met beloofd dagelijks nieuw materiaal). Aangezien het archief meer dan 400 uur aan beeld verwacht mogen we toch wel op wat hopen...

Alan Lomax Archives

avatar van sq
sq
L_T_B schreef:
Crucifixion
Da´s niet zomaar wat. Nooit van gehoord. Toch eens wat omheen beluisteren. Is het nu een nummer van Ochs (heeft het ook gebracht zag ik) of van hen?

avatar van L_T_B
sq schreef:
Is het nu een nummer van Ochs (heeft het ook gebracht zag ik) of van hen?

Het nummer is geschreven door Phil Ochs, maar Jim & Jean waren de eerste die het (in 1966) op plaat zette. Ochs schreef het nummer tijdens een twee-uur durende autorit in november 1965 tijdens een tour door het Verenigd Koninkrijk. Een jaar later (1967) verscheen het nummer - zoals vermeld - op Ochs' album "Pleasures of the Harbor". Ook Glenn Yarbrough (op het album "For Emily, Whenever I May Find Her") nam het nummer overigens in 1967 op.

avatar van L_T_B
Violeta Parra - Las Últimas Composiciones de Violeta Parra (1966)

(afbeelding)


Trackpick: Gracias a la Vida

Samen met Víctor Jara was Violeta Parra dé exponent van de Chileense (folk)muziek van de jaren '60. Het was ook Parra die mede aan de basis stond van "La Nueva Canción Chilena" ("Het Nieuwe Chileense Lied"), een linkse, ideologische stroming in de Latijns-Amerikaanse muziek. Maar waar Jara in 1966 zijn naamloze debuutalbum uitbracht, was "Las Últimas Composiciones de Violeta Parra" reeds Parra's laatste plaatopname.

Violeta del Carmen Parra Sandoval werd op 4 oktober 1917 geboren in San Carlos een kleine stad in het zuiden van Chili. Reeds op negenjarige leeftijd verliet ze de schoolbanken en leerde ze zichzelf gitaar leren spelen. Slechts drie jaar later schreef ze al haar eeste nummers. Enkele jaren daarna vertrok ze, op uitnodiging van haar broer, naar Santiago om daar te studeren. Maar ook daar voelde ze zich niet op haar plaats. Ze zwierf met haar gitaar langs de bars en peñas (clubs) van Santiago waar ze voornamelijk traditionele muziek ten gehore bracht. In 1937 trouwde ze met Luis Cereceda, een spoorwegarbeider. In 1948 scheidde het stel waarna Parra het opvolgende jaar opnieuw in het huwelijk trad. Uit dit huwelijk werden twee dochters geboren die beide op vroege leeftijd overleden.

Naar aanleiding van een langdurige ziekte was Parra in 1960 geruime tijd aan bed gekluisterd. Rusteloos als ze was begon ze te werken als arpillerista (het ververvaardigen van Chileense tapijten). In datzelfde jaar kwam ze in contact met Gilbert Favre, een Zwitserse muzikant die de folklore van Chili bestudeerde. Al snel mondde deze vriendschappelijke relatie uit in een turbulente liefdesverhouding. Ook rond die tijd werd de muziek van Parra meer diepgaand, zowel politiek als filosofisch. Na een hevige relatie met veel hoogte- maar ook veel dieptepunten besloot Favre om in 1966 de relatie te beëindigen. Parra schreef het ontroerende "Run Run Se Fue P'al Norte" naar aanleiding van deze droevige gebeurtenis. Veel van de nummers op dit album refereren - in soms prachtige beeldspraak - aan het verlies van een geliefde. Zelfs de schijnbaar opgewekte albumopener "Gracias a la Vida" ("Met Dank aan het Leven") heeft een melancholieke en bitterzoete ondertoon. Het nummer heeft overigens later een bredere bekendheid heeft gekregen door covers van Mercedes Sosa en nog later Joan Baez.

Na de breuk met Favre raakte Parra in een diepe depressie. In een poging van haar vrienden en familie om haar uit deze depressie te halen werd er een nationale tour onder de naam "Chile Sings and Laughs" georganiseerd. Door het warme ontvangst van het publiek bloeide Parra zienderogen op. Deze opleving was echter van korte duur. Op 5 februari 1967 beroofde ze zich door pistoolschot van het leven.

avatar
Benno
The Louvin Brothers - Satan is Real (1960)


(afbeelding)


Trackpick: The Christian Life

The Louvin Brothers kozen hun naam in de jaren veertig, toen zij begonnen met het spelen van religieuze muziek. Nog altijd is hun naam hier onlosmakelijk mee verbonden - zij worden regelmatig aangehaald om het religieuze beeld van Amerikanen in het midden van de twintigste eeuw te verwoorden. Toch hadden zij ook seculiere hits. In de jaren zestig implodeerde de groep, mede door het drankmisbruik van Ira. Daarover hieronder meer.

Eerst maar een aantal woorden over de cover van het album. Deze is absoluut niet grappig bedoeld. Voor de Louvin Brothers was satan heel erg real, met name voor Ira. Ira Louvin was een liefhebbende christen maar was niet emotioneel stabiel. Drinken, woedeaanvallen en zelfs een poging tot moord op zijn vrouw waren het gevolg. Voor de baptistenbroers moet dit wel een teken van de duivel zijn geweest, want Ira hield immers erg veel van zijn god. Over de cover zegt Charlie Louvin het volgende: "Ira built that set himself. The devil was twelve feet tall, built out of plywood. We went to this rock quarry and then took old tires and soaked them in kerosene, got them to burn good." Helaas is de hoes in de muziekgeschiedenis een eigen leven gaan leiden. De schele duivel en de knullig uitziende broers werden eerder slachtoffer van hoongelach dan van klaroengeschal...

De eerdergenoemde ideeën van zonde en vergeving zijn op dit album de grote thema's. Kijk bijvoorbeeld naar het openingsnummer, waar dit idee uit de doeken wordt gedaan: een man vertelt dat hij erachter gekomen is dat Satan net zo goed als God bestaat. Het bijzondere van de plaat is dat zij zowel universeel als persoonlijk is. Zoals eerder gesteld: deze thematiek leefde erg binnen de eigen beleving van de broers. Maar ook een universeel publiek werd aangesproken: hoe te leven in een gevallen en seculiere wereld? Deze thematiek wordt zonder verdere pretentie uitgewerkt: zij is oprecht, zoals goede country (alle rootsmuziek) dat is. Zoals Bob Dylan het eens verwoordde: "Country music is about real people. Real problems."

De vraag is misschien: waarom moet dit geluisterd worden? Waarom is het relevant? Interessant? Daar zijn een aantal argumenten voor aan te dragen. Het eerste is het eerder genoemde historische perspectief: de visie op geloof van de baptisten te begrijpen. Andere redenen zijn de enorme pretentieloze klasse. De oprechtheid. De invloed op andere artiesten. Maar bovenal transcendeert de betekenis van deze muziek boven elk godsbegrip. Scott Walden (muziekcriticus) schreef: "Their comprehension of the tortured throes of a drunkard's Satan-infested soul are no less profound than Lou Reed's own understanding of a heroin junkie wrestling with a world devoid of meaning beyond the piercing tip of the needle... The depth is there in Satan is Real. This album transcends the immediate kitsch appeal of its cover." Beter kan ik het niet zeggen. De thematiek op dit album is net zo echt als Satan zelf.

avatar van L_T_B
Malvina Reynolds - Sings the Truth (1966)

(afbeelding)


Trackpick: Little Boxes

Malvina Reynolds begon haar zangcarrière op een leeftijd waarop vele anderen besluiten te stoppen met werken. In 1960, op 60-jarige leeftijd, verscheen haar debuutalbum "Another County Heard From". Dat wil overigens niet zeggen dat ze pas op zeer late leeftijd actief werd in de muziekwereld. Al vanaf de late jaren '40 trad ze op op folkfestivals in de omgeving van Los Angeles. Samen met Earl Robinson en andere muzikanten was ze ook actief in de People's Songs beweging. People's Songs was een organisatie die op 31 december 1945 werd opgericht door onder andere Pete Seeger en Lee Hays en wiens motto was: "to create, promote and distribute songs of labor and the American people".

De titel van haar vervolgalbum "Sings the Truth" is een uitermate treffende beschrijving van het album. Gewapend met enkel een gitaar beschrijft Reynolds in 14 schijnbaar eenvoudige nummers de Amerikaanse samenleving. Het bekendste nummer van dit album is onmiskenbaar "Little Boxes". Reynolds schreef dit satirisch nummer over de verregaande veralgemenisering van de Amerikaanse middenklasse reeds in 1962. Volgens haar zijn alle huizen "of different colors" en zijn ze "all made out of ticky-tacky" maar "all look just the same". Een aantal jaren geleden beleefde het nummer een comeback wanneer het in diverse uitvoeringen te horen is als de themesong van de populaire TV-show Weeds. Naast "Little Boxes" bevat het album nog een aantal vooruitziende composities waaronder de anti-nucleaire protestsong "What Have They Done to the Rain" die in 1964 een 13e plaats opleverde voor The Searchers in de Engelse hitlijst.

avatar
Benno
Tim Rose - Tim Rose (1967)


(afbeelding)


Trackpick: Hey Joe

Tim Rose werd geboren in september 1940, in Washington D.C. Nadat hij een aantal kleinere baantjes had gehad kwam hij terecht in de muziekwereld, zo kwam hij terecht in de band van John Philips. Deze groep wisselende een aantal keren van naam maar was verder geen lang leven beschoren. Zijn eerste successen kwamen met zijn volgende band, The Big 3. Die naam doet bij sommigen misschien een belletje rinkelen: inderdaad, de band van Mama Cass. Nadat Rose dus eerder al had gespeeld met Philips, kon hij nu een tweede bandlid van The Mamas and the Papas toevoegen aan zijn lijstje. The Big 3 was in eigen tijd heel populair, maar wordt nu het meest herinnerd om The Banjo Song. Zoals u kunt horen is hieraan het nummer Venus van Shocking Blue "ontleend". Naar verluid werd de band ontbonden toen Rose erachter kwam dat Mama Cass in het geheim was getrouwd met het derde bandlid van The Big 3%u2026

In dat jaar ging Tim Rose dan ook solo. Hij kwam terecht bij CBS, een label dat succes had gehad met Bob Dylan en nu verder wilde gaan in het produceren van folkmuziek. Helaas flopten al zijn albums, hoewel zeker deze plaat erg goed is. Het gevolg was een leven in de marge, hoewel hij in de jaren negentig een comeback heeft gemaakt. Deze plaat was zijn eerste: een mix van eigen composities en covers die hij zingt in zijn diepe, gruizige stem.

De plaats die Rose heeft verworven binnen de muziekgeschiedenis is met name dankzij zijn opname van het nummer Hey Joe. In die jaren werd het nummer door vele groepen opgenomen (The Leaves, The Byrds, Love) maar het is de versie van Rose die gehoord werd door Hendrix. De andere versies zijn namelijk een stuk sneller en vrolijker: het was Rose die er de traagheid inbracht die je duidelijk terughoort bij Hendrix.

avatar van L_T_B
Niela Miller - Songs of Leaving (2009)

(afbeelding)


Trackpick: Baby Don't Go to Town

Obscuurder dan obscuur is dit album Niela (Halleck) Miller. Alhoewel het pas afgelopen jaar is uitgebracht, zijn de opnames al bijna 50 jaar oud. "Songs of Leaving" is het complete songbook van Miller en is opgenomen in 1962. Miller heeft een typische folkstem die veel weg heeft van zangeressen als Joan Baez en Marianne Faithfull. Zoals vele folkies in die tijd was ook Miller vaak te vinden op de straathoek van Bleeker & MacDougal Street., Het was ook daar dat ze - na een ontmoeting met Eric Weissberg - begon te musiceren, haar Martin (gitaar) uitleende aan Pete Seeger en waar ze Dave Van Ronk de tekst leerde van "Mean World Blues".

Wat dit album zo speciaal maakt, is het nummer "Baby Don't Go to Town". Dit nummer werd door Miller al in de jaren '50 geschreven, maar aangezien ze nooit een regulier album heeft uitgebracht is dit haar eerste en enige opname. Eveneens in 1962 nam haar (inmiddels voormalige) partner Willam "Billy" Roberts een demo op waaronder ook het nummer "Hey Joe" was te horen. Deze demo is echter nooit officieel uitgebracht. De goede verstaander kan duidelijk de overeenkomst horen tussen Miller's "Baby Don't Go to Town" en Roberts' "Hey Joe".

Zoals eerder gezegd werd dit album in 2009 uitgebracht door het Numero Group label, een label dat zich veelal specialiseerd in obscure soul- en gospel platen, maar zo nu en dan halen ze ook oude pop- en folkplaten uit de vergetelheid. Jammer genoeg is dit album enkel als LP (gelimiteerde oplage van 2000 exemplaren) of als digitale download verkrijgbaar. Maar eigenlijk past dat ook perfect bij het mystieke imago van deze plaat.

avatar van Oldfart
Een parel dit topic, nu pas ontdekt.
Verstopt tussen al die andere trivialiteiten hier op MuMe.
Hats off voor L_T_B en Benno.

avatar
Benno
Clarence "Tom" Ashley - The Greenback Dollar (1929-1933/2002)


(afbeelding)


Trackpick: Dark Holler

Tom Ashley is één van de meest befaamde banjospelers van het Amerika tussen de twee wereldoorlogen. Hij werd geboren in 1895, zijn vader was een woeste bruut. Nog voor de geboorte van Tom Ashley kwam zijn vader in de problemen door zijn overspel. Moeder en zoon vluchtte naar het huis van opa Enoch. Dit huis diende tevens als boarding house, een begrip dat in Nederland niet bekend is maar lijkt op een B&B (de mensen die de film Forrest Gump hebben gezien weten wel wat ik bedoel). Ashley nam daarop de naam van zijn moeder aan (hij heet eigenlijk McCurry). Zijn opa noemde hem Tommy, waarop hij die naam aannam (hij heet eigenlijk Clarence). Hij begon al vroeg met het spelen van de banjo en leerde zijn eerste liedjes van de gasten bij opa thuis. Dit waren geharde werkers zoals spoorwegwerkers en houthakkers. Vanaf 1911 begon Ashley professioneel op te treden met een reizend gezelschap. Deze groepen hadden een kermisachtige samenstelling (freakshow, toneel, muziek). Bij deze groepen zou hij blijven spelen tot na de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog.

De opnames op deze plaat stammen uit de vroegste periode van Ashley's opnames. In 1928 nam hij nog op voor een klein label, Gennett. De opnames op deze plaat komen uit de archieven van het grote Columbia Records. Tot 1933 had hij grote successen. Hij nam zijn plaatjes op en tegelijkertijd bleef hij touren met zijn groepen (waarvan de Carolina Tar Heels wel de bekendste is). Na 1933 was het vanwege de Grote Depressie helaas onmogelijk om nog genoeg geld te verdienen om muziek te blijven maken. Het gevolg was dat hij begon de werken in de kolenmijnen en later als trucker. Het optreden werd steeds minder.

In 1951 nam Harry Smith enkele liedjes van Ashley (en van de Carolina Tar Heels) mee op zijn befaamde compilatie Anthology of American Folk Music. Voor Amerikanen klonk deze muziek als van heel lang geleden, uit grootmoeders tijd. Het muzikale landschap was in de jaren na de Tweede Wereldoorlog immers razendsnel veranderd. De oude platen waren niet meer te krijgen. Nadat de aandacht voor deze oude muziek groter werd, bleek tot de verbazing van velen dat de "antieken" nog leefden. Zodoende kwam Ashley terecht op allerlei folkfestivals, waar hij speelde met grote namen uit de folk van de jaren zestig.

De invloed van Ashley op de folkmuziek en countrymuziek in Amerika is bijna oneindig. Jerry Garcia nam zijn manier van spelen over, veel countrymusici zijn tekst. Vrijwel iedere folkmuzikant is bekend met het werk van Ashley en kan zijn liedjes van voor naar achter meespelen. Tot slot is er nog die befaamde compositie: "House of the Rising Sun"; waarvan Ashley de vroegste bekende opname heeft gemaakt.

avatar van Oldfart
Zit me af te vragen van wie ik een coverversie van Dark Holler zou kunnen kennen....?
Komt me zo bekend voor...

avatar
Benno
Dat kunnen er heel, heel veel zijn. Bovendien is de muziek van Dark Holler Blues ook veelvuldig gekopieerd in andere nummers (bijvoorbeeld de East Virginia Blues). In de folkmuziek is imitatie en vervorming van oorspronkelijke thema's net zo belangrijk, misschien wel belangrijker, dan originaliteit. Dat is ook iets dat je bijvoorbeeld bij Bob Dylan terugziet, die bijvoorbeeld op de Basement Tapes zich dit soort arrangementen "eigen maakt". Joni Mitchell had recent nog kritiek op het gebrek aan originaliteit in Dylan's werk en dat heeft hier alles mee te maken.

avatar van sq
sq


Héérlijk nummer, en wat een verhaal ook weer. Dank L_T_B!

avatar van Oldfart
Het nadeel van dit topic is dat om iedere keer een 'ouwe laars' stofvrij te maken, dat veel tijd kost.

Maar ik betrap mezelf er op dat ik regelmatig even hier kom gluren om te zien of de heren al een nieuwe boot hebben opgepoetst.
Maar gelukig staan er de trackpicks om de tussenliggende tijd ter vullen.

avatar van L_T_B
Uit betrouwbare bron kan ik melden dat er binnenkort driftig gepoetst gaat worden.

avatar van L_T_B
Arthur "Big Boy" Crudup - That's All Right Mama (1992)

(afbeelding)


Trackpick: That's All Right

In 1954 verscheen Elvis Presley's eerste Sun-single "That's All Right Mama", het begin van een imposante carrière. Maar zoals bij vele opnames van Elvis vind het nummer zijn oorsprong in de jumpblues scene van de jaren '40 en vroege jaren '50. Het nummer werd namelijk bijna een decennia eerder al opgenomen door diens auteur Arthur Crudup. Naast "That's All Right" zou Elvis later ook nog de Crudup-songs "My Baby Left Me" en "So Glad You're Mine" opnemen.

Arthur "Big Boy" Crudup werd in 1905 in Forest, Mississippi geboren en was in zijn jonge jaren - zoals vele gekleurde Amerikanen - werkzaam als landarbeider. Pas op latere leeftijd begon hij te musiceren, in eerste instantie als gospelzanger en later als blueszanger en -gitarist. Crudup speelde eind jaren '30 als dakloze straatmuzikant in Chicago en verdiende daar bitter weinig mee. Producer Lester Melrose haalde hem van de straat, koppelde hem aan Tampa Red en liet hem teken bij het RCA Victor's Bluebird label. Ook toen Melrose achteraf Crudup's contract doorverkocht aan Hill & Range (de muziekuitgeverij die de Elvis-belangen behartigde), veranderde dat niets aan de hulpeloze positie waarin Crudup bleef verkeren. Hij brak met Melrose toen bleek dat hem helemaal geen royalties werden uitbetaald.

Het album bevat 22 nummers die allen zijn opgenomen in de periode 1941 - 1954 voor het Bluebird label en geeft een perfecte dwarsdoorsnede van zijn carrière. Verwacht hier echter geen swingende Elvis-taferelen. Dit is geen rock & roll of zelfs rhythm & blues, dit is pure Delta blues met enkel Crudup en zijn gitaar. Deze (letterlijke) bluesgrootheid mag dan enigszins in de vergetelheid zijn geraakt. Hij verdient zeker zijn plaats naast bluesgiganten als Muddy Waters en Skip James.

avatar

Gast
geplaatst: vandaag om 11:09 uur

avatar

geplaatst: vandaag om 11:09 uur

Let op: In verband met copyright is het op MusicMeter.nl niet toegestaan om de inhoud van externe websites over te nemen, ook niet met bronvermelding. Je mag natuurlijk wel een link naar een externe pagina plaatsen, samen met je eigen beschrijving of eventueel de eerste alinea van de tekst. Je krijgt deze waarschuwing omdat het er op lijkt dat je een lange tekst hebt geplakt in je bericht.

* denotes required fields.