Hier kun je zien welke berichten Ingo als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
Donny Hathaway - Live (1972)

5,0
1
geplaatst: 24 november 2014, 00:46 uur
Sinds kort heb ik een nieuwe liefde: live Soul albums. Aan de grondslag van deze vlam staat het toepasselijk getitelde album Live van Donny Hathaway. Laat me je uitleggen waarom ik dit nou zo'n fantastische plaat vind.
Het jaar is 1971. De Soul viert zijn hoogtijdagen en is een niet weg te denken onderdeel van de emanciperende zwarte gemeenschap in de Verenigde Staten. Het publiek dat deze avond aanwezig is heeft er zin in. Zodra de band de eerste tonen van het openingsnummer, een cover van een inmiddels klassiek Marvin Gaye nummer, inzet roept een jongedame in het publiek op ritmische wijze enthousiast “what's going on!”. De sfeer is gezet en zal geen moment meer afwezig zijn.
De sound die de band naar voren brengt is vol en warm, en vertoont naast de typische Soul-sound ook trekjes van Funk. Het pianospel van Donny speelt een grote, veelal opzwepende, rol. Verder zijn er twee gitaren, een basgitaar, een drumstel en conga's in het spel. De band is op elkaar ingespeeld en zet geen voet verkeerd. Meermaals is er ruimte voor wat muzikale improvisatie en jamt men er lustig op los, wat het stilhouden van de voeten erg lastig maakt. Gelukkig moet je dat ook helemaal niet willen.
Ook Donny's zang is niet anders dan vol en warm te noemen. Met een stem zoet als honing en de bezieling van dominee laat hij het publiek uit zijn hand eten, zonder een moment in gezapigheid te vervallen. Het hoogtepunt van samenspel tussen publiek en artiesten is gedurende het nummer You've Got A Friend, wanneer het publiek vol bezieling (schijnbaar is het aanstekelijk) woord voor woord meezingt. De sfeer is ongekend en het is onvoorstelbaar dat er ook maar één aanwezige onberoerd gelaten is.
Op het album Live zetten Hathaway en zijn muzikale compagnons, bijgestaan door de aanwezige toeschouwers, een muzikale prestatie van wereldklasse neer. Wie zich ooit heeft afgevraagd hoe het genre Soul aan zijn naam komt doet zich er goed aan deze plaat een draai te geven. Een aanrader voor elke muziekliefhebber.
Het jaar is 1971. De Soul viert zijn hoogtijdagen en is een niet weg te denken onderdeel van de emanciperende zwarte gemeenschap in de Verenigde Staten. Het publiek dat deze avond aanwezig is heeft er zin in. Zodra de band de eerste tonen van het openingsnummer, een cover van een inmiddels klassiek Marvin Gaye nummer, inzet roept een jongedame in het publiek op ritmische wijze enthousiast “what's going on!”. De sfeer is gezet en zal geen moment meer afwezig zijn.
De sound die de band naar voren brengt is vol en warm, en vertoont naast de typische Soul-sound ook trekjes van Funk. Het pianospel van Donny speelt een grote, veelal opzwepende, rol. Verder zijn er twee gitaren, een basgitaar, een drumstel en conga's in het spel. De band is op elkaar ingespeeld en zet geen voet verkeerd. Meermaals is er ruimte voor wat muzikale improvisatie en jamt men er lustig op los, wat het stilhouden van de voeten erg lastig maakt. Gelukkig moet je dat ook helemaal niet willen.
Ook Donny's zang is niet anders dan vol en warm te noemen. Met een stem zoet als honing en de bezieling van dominee laat hij het publiek uit zijn hand eten, zonder een moment in gezapigheid te vervallen. Het hoogtepunt van samenspel tussen publiek en artiesten is gedurende het nummer You've Got A Friend, wanneer het publiek vol bezieling (schijnbaar is het aanstekelijk) woord voor woord meezingt. De sfeer is ongekend en het is onvoorstelbaar dat er ook maar één aanwezige onberoerd gelaten is.
Op het album Live zetten Hathaway en zijn muzikale compagnons, bijgestaan door de aanwezige toeschouwers, een muzikale prestatie van wereldklasse neer. Wie zich ooit heeft afgevraagd hoe het genre Soul aan zijn naam komt doet zich er goed aan deze plaat een draai te geven. Een aanrader voor elke muziekliefhebber.
The Antlers - Familiars (2014)

4,0
0
geplaatst: 25 juni 2014, 09:05 uur
Heh jongens, schrijf nu niet van die mooie recensies met z'n allen, ik durf bijna mijn stem niet te laten horen..
Ja, The Antlers. Zoals zovelen leerde ik deze prachtband kennen met het kunstwerkje dat Hospice heet. Zelden heeft een album mij zo bij de lurven gegrepen. Vol ongeloof heb ik de plaat keer na keer weer opgezet, omdat ik er maar geen genoeg van kon krijgen.
Hierna kwam de tweede kennismaking, met Burst Apart. Om te zeggen dat deze opvolger zijn verwachtingen niet waar kon maken is niet helemaal eerlijk. Het moge duidelijk zijn dat Hospice een unicum is, en dat hopen op een 'tweede hospice' onzinnig en onverstandig is. Maar de mens zou de mens niet zijn als zijn gevoelens hem niet stiekem af en toe de baas zouden zijn. Ergens was toch de hoop naar nog zo'n album. Een stilzwijgend verlangen naar nog een meesterwerk.
En helaas, hoe ik het ook wend of keer, een meesterwerk heb ik Burst Apart nooit gevonden. Een sterk album met mooie nummers, zeker, maar waar het aan ontbeert (al helemaal ten opzichte van Hospice) is de meeslependheid. Daar waar Hospice me naar de keel vloog om haar grip pas na een tig keer luisteren ietwat te verslappen, is er bij Burst Apart nooit sprake geweest van een grijsdraaiperiode .
En nu is er dan Familiars. Gelijk toen dit vreugdevolle nieuws mij bereikte heb ik hem van het internet geplukt (arr).
Hoewel er geen vergissing mogelijk is over het feit dat je naar een album van The Antlers luistert, is er toch onmiskenbaar iets anders dan voorheen aan wat de band hier laat horen. Het is dezelfde sound, maar dan met een ander jasje. Of beter nog, het is dezelfde sound, maar dan met een éxtra jasje.
De instrumentaties zijn voller en rijker. De nummers zijn langer uitgesponnen en dromeriger. Het lijkt alsof ze de muziek wat meer ruimte voor zichzelf hebben gegeven.
Als vanouds is de melancholie, de triestheid. Door het vele gebruik van schallende blazers is de muziek echter weemoediger dan ooit tevoren. Silberman's hoge stem is hierbij de perfecte partner in crime. Zijn welhaast lome zang hypnotiseert en weet af en toe met een uithaal de haren recht omhoog te zetten.
Het geheel geeft een warm geluid, maar de warmte van een liefdevolle omhelzing is het niet. Eerder de warmte van opgekruld in een slaapzak liggen terwijl de regen tegen het tentzeil klettert.
Over de poëtische teksten durf ik het nog niet eens echt te hebben, omdat daar nog veel meer aandacht aan besteed moet worden (minpuntje gevonden: zonder de lyrics op te zoeken vind ik Silberman vaak wat lastig te verstaan). Hier en daar steekt er een passage de kop op die me erg weet te beroeren. Zoals in de opener:
Then when heaven has a line around the corner,
we shouldn’t have to wait around and hope to get in
if we can carpenter a home in our heart right now
and carve a palace from within.
Ook voorlopige favoriet Parade behuisd een geweldige staaltje woordensmederij:
We can be an island apart from a ceaseless war on our heart,
Harbored in a fortress insurmountable,
Taller than affliction, safe wherever we are.
Erasing horror and disgust,
Rewinding the sorrow and the rust.
Before our suffering’s suffering, hadn’t we suffered enough?
Bah, wat een mooie muziek.
The Antlers laten zich met Familiars vergelijken met dwaallichtjes die nietsvermoedende voorbijgangers het moeras inlokken. En daarmee geef ik het al een beetje weg; ik zit in het moeras en denk niet dat ik er voorlopig uit zal komen. Of ik Familiars een meesterwerk zal durven noemen moet nog blijken, maar één ding is zeker; de grijsdraaiperiode is begonnen.
Ja, The Antlers. Zoals zovelen leerde ik deze prachtband kennen met het kunstwerkje dat Hospice heet. Zelden heeft een album mij zo bij de lurven gegrepen. Vol ongeloof heb ik de plaat keer na keer weer opgezet, omdat ik er maar geen genoeg van kon krijgen.
Hierna kwam de tweede kennismaking, met Burst Apart. Om te zeggen dat deze opvolger zijn verwachtingen niet waar kon maken is niet helemaal eerlijk. Het moge duidelijk zijn dat Hospice een unicum is, en dat hopen op een 'tweede hospice' onzinnig en onverstandig is. Maar de mens zou de mens niet zijn als zijn gevoelens hem niet stiekem af en toe de baas zouden zijn. Ergens was toch de hoop naar nog zo'n album. Een stilzwijgend verlangen naar nog een meesterwerk.
En helaas, hoe ik het ook wend of keer, een meesterwerk heb ik Burst Apart nooit gevonden. Een sterk album met mooie nummers, zeker, maar waar het aan ontbeert (al helemaal ten opzichte van Hospice) is de meeslependheid. Daar waar Hospice me naar de keel vloog om haar grip pas na een tig keer luisteren ietwat te verslappen, is er bij Burst Apart nooit sprake geweest van een grijsdraaiperiode .
En nu is er dan Familiars. Gelijk toen dit vreugdevolle nieuws mij bereikte heb ik hem van het internet geplukt (arr).
Hoewel er geen vergissing mogelijk is over het feit dat je naar een album van The Antlers luistert, is er toch onmiskenbaar iets anders dan voorheen aan wat de band hier laat horen. Het is dezelfde sound, maar dan met een ander jasje. Of beter nog, het is dezelfde sound, maar dan met een éxtra jasje.
De instrumentaties zijn voller en rijker. De nummers zijn langer uitgesponnen en dromeriger. Het lijkt alsof ze de muziek wat meer ruimte voor zichzelf hebben gegeven.
Als vanouds is de melancholie, de triestheid. Door het vele gebruik van schallende blazers is de muziek echter weemoediger dan ooit tevoren. Silberman's hoge stem is hierbij de perfecte partner in crime. Zijn welhaast lome zang hypnotiseert en weet af en toe met een uithaal de haren recht omhoog te zetten.
Het geheel geeft een warm geluid, maar de warmte van een liefdevolle omhelzing is het niet. Eerder de warmte van opgekruld in een slaapzak liggen terwijl de regen tegen het tentzeil klettert.
Over de poëtische teksten durf ik het nog niet eens echt te hebben, omdat daar nog veel meer aandacht aan besteed moet worden (minpuntje gevonden: zonder de lyrics op te zoeken vind ik Silberman vaak wat lastig te verstaan). Hier en daar steekt er een passage de kop op die me erg weet te beroeren. Zoals in de opener:
Then when heaven has a line around the corner,
we shouldn’t have to wait around and hope to get in
if we can carpenter a home in our heart right now
and carve a palace from within.
Ook voorlopige favoriet Parade behuisd een geweldige staaltje woordensmederij:
We can be an island apart from a ceaseless war on our heart,
Harbored in a fortress insurmountable,
Taller than affliction, safe wherever we are.
Erasing horror and disgust,
Rewinding the sorrow and the rust.
Before our suffering’s suffering, hadn’t we suffered enough?
Bah, wat een mooie muziek.
The Antlers laten zich met Familiars vergelijken met dwaallichtjes die nietsvermoedende voorbijgangers het moeras inlokken. En daarmee geef ik het al een beetje weg; ik zit in het moeras en denk niet dat ik er voorlopig uit zal komen. Of ik Familiars een meesterwerk zal durven noemen moet nog blijken, maar één ding is zeker; de grijsdraaiperiode is begonnen.
