Na het succes van
Lust for Life en de connectie met David Bowie, volgde begin jaren '80 een magere periode voor Iggy Pop. Ik herinner me uit die periode vooral een veelzeggende (pers)stilte rond hem, ondanks dat hij druk was met opnemen en touren.
Party hoort bij die verguisde fase, maar valt mij na alle negatieve verhalen (deels hierboven) alleszins mee.
Strenger was ik over voorganger
Soldier, waar nochtans twee nummers met Bowie en diverse andere met ex-Sex Pistol Glen Metlock waren geschreven. Van de bezetting van die plaat is op
Party alleen bassist Ivan Kral van de Patti Smith Group over. Hij schreef samen met Pop de nummers, op de twee covers aan het einde van de plaat na.
Met dank aan
Roxy6 heb ik de nodige tijdschriftknipsels over de punkpionier gekregen. Die heb ik zojuist doorgespit om te zien of ik informatie over deze plaat kon vinden. Een overzichtsartikel in Mojo van zijn beste werk slaat met opzet
Party over, een soortgelijk artikel in Lust For Life van Robert Haagsma moppert over de keuze voor de producer en vervolgt:
"De radiovriendelijke mix van de beoogde single Bang Bang bewijst hoe slecht het resultaat was."
In Q iets soortgelijks:
"Arista were demanding a genuine hit and, as the drugs took hold once more, they were able to bully their artist into all sorts of indescretions, such as letting Monkees producer Tommy Boyce remix Bang Bang (...)".
Ik ben dus positiever.
Party Man blijkt een aangename entree met z'n blazers al bevat het teveel herhaling,
Rock and Roll Party doet met scheurende gitaren wat het belooft, met
Eggs on Plate kan ik niet veel mede door de zwabberende zang, op
Sincerity rock 'n' roll met opnieuw blazers en
Houston Is Hot Tonight scheurt met een te magere riff.
Kant 2 start met één van twee geflopte singles:
Pumpin' for Jill rockt kalmpjes.
Happy Man is 'laten we 143 seconden gek doen' waarna de andere single
Bang Bang volgt. Mij onbekend is of dit tevens de singlemix is waarover Q schreef; een ingetogen en toch stevig nummer.
Cover
Sea of Love zou in de versie van Robert Plant en zijn Honeydrippers vier jaar later een hit worden, ik wist niet dat Pop zich eraan had gewaagd. Oorspronkelijk uit 1959 van Phil Phillips, leert koeklen. Dankzij de blazers en een orgeltje houdt het een souljasje met Pops herkenbare stem.
Time Won't Let Me is oorspronkelijk uit 1965 van de Amerikaanse garagerockers The Outsiders. Een licht verteerbaar wavejasje krijgt het hier. Twee covers aan het einde, het voelt enigszins als creatieve armoede dan wel tijdnood; aardig zijn ze wél.
In 2000 verscheen
Party op cd met bonusnummers
Speak to Me (aangenaam vrolijk, drijvend op akoestische gitaar en ingetogen zang) en de blues van cover
One for My Baby, oorspronkelijk in 1943 gezongen door Fred Astaire.
Een ruime 6 met krul van de juf. Mijn reis door new wave bevindt zich in juni 1981; vorige album was de EP
Stahlwerksinfonie van
Die Krupps uit Düsseldorf, ik vervolg met enkele heren die de punkfakkel van Iggy Pop overnamen: Minor Threat uit Washington DC en hun
gelijknamige EP.