Na één sterke EP en een uitmuntend debuut, dat hen de nodige bekendheid verschafte, is er de plaat van de bevestiging. Een ongeschreven regel, en ook voor het Zweedse First Aid Kit geldt die regel. ‘The Big Black and the Blue’ was een debuut dat de verwachtingen erg hoog legde voor deze plaat, zeker bij mij; het debuut stond in 2010 in m’n eindejaarstop 10. Sobere doch mooie folkmuziek, en die stemmen… die hemelse stemmen. Van een nummer als ‘Waltz for Richard’ krijg ik nu nog altijd een prettig gevoel. Maar over tot de orde van de dag.
‘The Lion’s Roar’ dus, de langverwachte opvolger. Op MuMe is dit in korte tijd een succesverhaal geworden voor de Zweedse zusjes, en niet alleen op MuMe, getuige hun samenwerking met Conor Oberst van Bright Eyes op de afsluiter. In een interview werd hen gevraagd met wie ze nog wel zouden willen samenwerken. De naam Dylan viel. Altijd maar Dylan. Maar dat is lang niet hun enige held, als je goed naar het plaatje hebt geluisterd, vind je er zeker nog wel een paar. In het refrein van ‘Emmylou’ vind je er algauw vier. En niet van de minste.
Het titelnummer opent de plaat, en is meteen één van de beste nummers. Het folkgeluid van deze song doet meer denken aan het debuut, maar het is toch wat rijker, een wat voller geluid. Net als de hele plaat in z’n geheel, eigenlijk. Waar de folk heerste op het debuut, komen nu country-invloeden om de hoek loeren. ‘Emmylou’ en afsluiter ‘King of the World’ zijn daar de beste voorbeelden van.
Ingetogenheid staat er natuurlijk ook nog wel op; zo is ‘In the Hearts of Men’ een ietwat verdoken pareltje, al is het geluid nog altijd voller dan dat op het debuut. Dat zal ongetwijfeld met de productie te maken hebben; die is in handen van dat andere bekende lid van Bright Eyes; Mike Mogis. Hij neemt trouwens een prominente rol in op het album, want naast het aannemen van de rol van producer, speelt hij ook onder andere viool, mandoline, steel guitar en vibrafoon (op het naar die bekende plaat van Joni Mitchell knipogende ‘Blue’). Ook de vader van Johanna en Klara speelt mee; Benkt Söderberg speelt basgitaar op een aantal tracks. En zo blijkt de huiselijke warmte, die toch duidelijk uit deze muziek klinkt, ook echt aanwezig te zijn. Mooi is dat!
Op vocaal vlak is het nog altijd van erg hoog niveau, een valse noot zingen de zusjes Söderberg niet, het is een glashelder geluid, maar zeker niet saai of eentonig. Daar zorgt de samenzang, die je met momenten hoort, wel voor. Het refrein van ‘This Old Routine’ bijvoorbeeld; bloedmooi. Dat geldt eigenlijk voor alle aspecten van die song. Knap gezongen, erg leuke melodie (met heerlijke dromerige steel guitar) en een aangrijpende, voor velen hoogstwaarschijnlijk herkenbare tekst. “This old routine will drive you mad; it’s just a mumble never spoken out loud; and sometimes you don’t even know why you loved her; well you look at her now, and you see why”. Ik bedoel maar.
Na ‘This Old Routine’ volgt het bijzonder fraaie ‘To a Poet’. Het langste nummer op de plaat, met een geduldige opbouw. Het nummer kent een erg rustige aanloop, met ergens middenin een stukje van die hemelse stemmenpracht, bijna a capella samenzang. Daarna kent het nummer nog een mooi georkestreerde uitloper van pakweg anderhalve minuut, die toch wel iets teweegbrengt. Kippenvelnummer.
Dan volgen een tweetal nummers die me wat minder doen, al zijn ze op zich niet slecht. ‘I Found a Way’ is een goeie song, maar ik verwacht altijd dat die song helemaal open gaat bloeien, en dan blijft ie toch steeds een beetje op de vlakte. Kabbelen. ‘Dance to Another Tune’ daarentegen is dan eigenlijk het tegenovergestelde; alleen komt het een beetje te gemaakt over. Het suggereert een groteske opbouw, terwijl het er ook weer nooit echt helemaal uitkomt. Na drieënhalve minuut wordt dan overgeschakeld op een ander tempo, aangegeven door frivole strijkers.
‘New Year’s Eve’ zet in met autoharp, en is één van de rustigste nummers. Van het soort soberheid dat aan het debuut doet denken. De zang is wederom bedwelmend, en het contrast met de vrolijk klinkende afsluiter, die trouwens geschreven is door Conor Oberst, kon bijna niet groter zijn. Het country-gevoel keert nog één keertje terug, de nodige warmte wordt toegevoegd door een accordeon, en het vioolspel mag ook niet ontbreken. Een fraaie trompetpassage is de kers op de taart. Toch hoop ik niet dat dit de koers is die ze op hun volgende plaat gaan varen, want ik hoor ze toch gewoon het liefst bezig zoals op hun debuut; spaarzame folkmuziek met prachtige meerstemmigheid en sterke teksten. Daarom krijgt deze ook een sterretje minder dan het debuut.
3,5 sterren