Naar mijn gevoel een meesterlijke recensie van de heer Patrick De Witte uit het toch wel zeer goeie weekblad Humo. Ik hoop dat jullie het een beetje kunnen smaken
Toen ons aller RV (= Rudy Vandendaele) in een interview met Tom Waits diens merkwaardig percussiegeluid samenvatte als ’the sound of wooden spoons on a skull’, moest Tom hard lachen. Die omschrijving beviel hem wel. Misschien is ze hem opnieuw te binnen geschoten toen hij naar een titel voor een nieuwe verzameling songs zocht. ’Bone Machine’ heet de nieuwe Waits en het is een wonderlijke, naar het hart klauwende plaat geworden. De allereerste machines die werden uitgevonden, werkten via de principes van het menselijk lichaam. Dat zette Waits aan het denken. ’We’re all bone machines’ is zijn conclusie.
Machines gaan wel eens stuk, roesten, lopen vast. Dat is het minste wat men van de personages in Waits’ songs kan zeggen. Sinds ’Swordfishtrombones’ maakt hij geen ’gewone’ platen meer. Zowel het magistrale ’Raindogs’ als ’Frank’s wild years’ bevatten curieuze kronieken over het leven zoals het zich in de ranzig geurende oksels van Amerika afspeelt en dat is op ’Bone Machine’ niet anders. In Waits World riskeer je schurft op te lopen als je iemand de hand schudt, je kunt ook maar beter je portefeuille in de gaten houden. Mits het in acht nemen van de stelregels der Delta bluesmen (‘Never eat at a restaurant called ’Ma’s’, never play cards with a man named Doc and never shave with someone else’s razor’) kun je misschien een dag of twee ongeschonden doorkomen, maar dan hengst er geheid iemand een stoel in je nek of blijkt de tubaspeler van het Leger Des Heils orkest opvallende gelijkenissen met Hannibal ’l ate his liver with some beans’ Lecter te vertonen.
De met ijzerdraad bij mekaar gehouden soundtrack die Waits bij de verhalen op ’Bone machine’ heeft bedacht, kan niet verhullen dat hij en zijn vrouw Kathleen Brennan in de eerste plaats uitstekende songschrijvers zijn. Hun songs zijn in lompen gehuid, er cirkelen voortdurend vliegen rond, maar onder alle morsigheid zit een juweel als ’Dirt in the ground’ verborgen, een droevige wals waarin de dood recht in de ogen wordt gekeken. Daarna, met ’Such a scream’, belanden we logischerwijs in de hel. Het rammelen met skeletten vervangt er de drums. In ’Murder in the red barn’ maakt iemands schedel kennis met een bijl. ’There’s nothing strange about an axe with bloodstains in the barn/There’s always some killing to do around the farm’. Terwijl de dader wordt uitgerookt staat iemand tegen een regenton te schoppen. Zijn maat plukt onhandig aan een banjo. ’Who are you?’, is een bittere fluim in de richting van een ouwe vriend. Een exorcisme op een hemelse melodie, waarin een echo van ’Downtown train’ te bespeuren valt. Het is een mooie moord.
’A little rain’ is ook zo’n zachtjes over de nekharen strelende song, met een als een madonna wenende pedal steel gitaar. ’Jesus gonna be here’ is de blijde boodschap zoals hij wel eens door van goedkope wijn doortrokken lieden op straathoeken wordt gebracht: luid, ongebreideld briesend, om boven het straatlawaai uit te komen. Op ’In the colloseum’ wordt heel andere lulkoek verkocht: politici worden er door hun hysterische vrouwen onder de knoet gehouden, de presidentiële hoer wordt er onthoofd, een van de senatorsvrouwen wordt door een hond genomen. In het halfrond zit iemand met een bongo. David Hidalgo van Los Lobos laat een viool sterven in ’Whistle down the wind’, een laatste groet aan een overleden vriend (Tom Jans). In het samen met Keith Richards geschreven en gezongen ‘That feel’ wordt vastgesteld dat, als men eenmaal de blues heeft gehad, er nooit meer aan te ontsnappen valt.
Een geruststellende gedachte, vindt het beschonken orkest op de achtergrond. Zolang het dit soort platen blijft opleveren kan ik het daar roerend mee eens zijn. ’Bone Machine’ werd voor een groot stuk niet eens in een studio opgenomen, maar in een houten barak achter Tom Waits’ nieuwe huis. ’Ik sleepte er van alles naar binnen. Oud ijzer, kapotte spullen die ik in de gracht had gevonden, alles waar op te kloppen valt en waar geluid uit komt...’.
Soms (het ijselijke zelfmoordenaarslied ‘The ocean doesn’t want me today’) lijkt het wel alsof ook de stem een dagenlang verblijf in een smerige gracht achter de rug heeft. ’Bone machine’ botst en klingelt, beweegt zich voort op menselijk schroot en dreigt voortdurend uit mekaar te vallen. De Werner Pensaerts onder u zullen vast een paar keer ts-ts-ts-ts mompelend de wenkbrauwen ophalen. Maar, zoals ik al zo vaak, een beetje gewichtig naar het plafond van het café starend, tegen onbereidwillige meisjes heb gezegd: jazeker, maar lelijk kan soms prachtig zijn.