Na Dream harder en A rock in the weary land was ik deze band eigenlijk helemaal uit het oog verloren, gedeeltelijk omdat dat twee heel matige albums waren, gedeeltelijk omdat je soms gewoon het gevoel krijgt van een bepaalde band/artiest/stem/visie nu wel genoeg platen in huis te hebben (kan gebeuren nietwaar), gedeeltelijk omdat mijn muzikale smaak aan het verschuiven was. Na die vijftien jaar radiostilte onverwacht Modern blues van mevrouw OnHeavenHill gekregen, en dat was de aanleiding om de eerste Waterboys-platen weer eens onder de loep te nemen. Veel muziek uit de jaren 80 (in muzikaal opzicht niet een decennium waar ik met warme gevoelens aan terugdenk) heeft mijn persoonlijke tand des tijds niet doorstaan, maar de eerste vijf Waterboys-platen scoorden bij mij nu gemiddeld nog 4½*, dus die kunnen er nog nèt mee door zal ik maar zeggen.
Hoewel dit album Modern blues heet doet het mij eerder ouderwets-Waterboys-folky aan, want waar een standaard popliedje drie coupletten gebruikt roepen de vele coupletten van Scotts nummers bij mij de herinnering op aan die lange folkballades van vroeger waarin zulke uitgebreide verhalen konden worden verteld. Binnen die structuur is de passie waar Scott vaak over zingt bekend terrein, maar opvallend zijn de verschillende nummers die handelen over liefdes uit het verleden of die een melancholische terugblik behelzen – de vrolijkheid en de relatieve zorgeloosheid van And a bang on the ear lijkt hier plaats te hebben gemaakt voor een gereserveerder en misschien ook wel ontgoochelder blik op het verleden, of is mijn perspectief hierin verkeerd?
Muzikaal gezien is dit in kwalitatief opzicht een mixed bag. Door de dikwijls lekker volle arrangementen en de overtuiging die Scott nog altijd aan de dag legt maakt dit album op mij altijd de indruk van een degelijke constantheid, maar Still a freak is melige eigen-schouder-klopperij, I can see Elvis net zo flauw als The return of Jimi Hendrix, en de lieve tekst van Beautiful now maskeert een heel middelmatige compositie. Aan de pluskant staan de stevige en spannende opener, het treffende November tale (met op 0'14–0'18 een pianoloopje dat me doet denken aan het beginorgeltje van Dylans Positively 4th Street), het ontroerende en meeslepende The girl who slept for Scotland, en natuurlijk Nearest thing to hip dat elke koper van platen die nu bijna alleen nog maar bij de MediaMarkt terecht kan zal aanspreken (om nog maar te zwijgen van De Slegte...). Die prachtige en krachtige nummers geven blijk van een jeugdigheid die toch wel ernstig contrasteert met die foto van de bebrilde Scott op het binnenwerk van de CD – mooi dat mensen zich graag willen laten zien zoals ze zijn, warts and all, maar zelf zou ik deze foto toch niet voor mijn albumhoes hebben gebruikt (ook al is bóvenstaande hoesafbeelding dan ook bijzonder fraai).
De grote afknapper hier is voor mij het slotnummer: enorme lang en voorzien van een Dylaneske tekst, maar met een saai couplet, een nietszeggend refrein en een werkelijk stomvervelende drumpartij. Bij de Statistieken staat dit nummer bij de Favoriete Tracks triomfantelijk bovenaan (16 stemmen tegenover de negen van nummer 2), maar daar kan ik met mijn pet niet bij.
Mooi om weer eens zo'n enthousiast teken van leven van Scott te hebben gekregen, en van de beste nummers is de kwaliteit weer als vanouds, maar er staan eigenlijk toch ook wel wat veel doorsnee-nummers op, en de bijna bovenzinnelijke magie die hij op A pagan place en This is the sea soms wist op te roepen hoor ik op dit album niet meer terug. Leuk dat ik Modern blues heb leren kennen, maar het heeft me niet speciaal benieuwd gemaakt naar volgende Waterboys-albums – misschien is ook tussen Scott en míj de relatie al af.