‘Wat een vetvlekken op het vinyl!’ was het eerste wat ik dacht toen ik
Paradise Theatre uit de wederom fraaie hoes haalde. Toen ontwaarde ik een deel van de groepsnaam en tijdens het draaien heb ik hierboven gelezen wat hier aan de hand is: ik wist niet eens dat de techniek van laserbranden in vinyl bestond! Wel een statusdingetje, het gevolg van drie voorafgaande platinum albums en dit zou de vierde worden. Wederom in een prachtige klaphoes met de teksten aan de binnenzijde. Opvallend detail is dat het ‘Theatre’ op de achterzijde als ‘Theater’ wordt vermeld.
Tijdens het luisteren knikte ik meestal goedkeurend. Lichte symfonische hardrock of vooral adult oriented rock, want de moeilijker muzikale delen van voorheen zijn zo goed als absent. Dit in lijn met de tijdgeest en de wensen van platenmaatschappij en (een deel van) het publiek. Gebleven zijn melodie en driestemmige koortjes en terug zijn de scheurende gitaren, al klinkt daarnaast pop en zelfs funk, het verhaal vertellend van een fictief theater in Chicago in de jaren 1928 – 1958.
Bij opener
A.D. 1928 hield ik mijn hart vast: een pianoballade? Maar de tekst in de klaphoes laat zien dat dit dat dit slechts een introlied is. Het gaat spoedig over in het aangenaam stevige
Rockin’ the Paradise, dat niet gecompliceerd is maar wel pakkend; het refrein is ouderwets goed. Op
Too Much Time on My Hands klinkt voor het eerst bij deze groep een sequencer.
Nothing Ever Goes as Planned bevat naast een reggae-achtig ritme een blaaspartij in funkstijl, vergelijkbaar met Earth, Wind & Fire; de saxsolo in het einde is ook aangenaam. Hierboven werd een terechte vergelijking met 10CC gemaakt, dit is een muzikaal zijstapje dat goed in elkaar zit. Ballade
The Best of Times verzoetigt gelukkig niet zoals
Babe van het jaar ervoor in roze marsepein die je vullingen uit de kiezen doen kruipen, maar wordt stevig met prima gitaarwerk.
De B-kant begint met regen en onweer. Geen
Black Sabbath en ook niet
Heavy Metal Thunder van Saxon, associaties die ik meteen krijg. Als in
Lonely People al rap een burenruzie klinkt gevolgd door blazers, ben ik meteen bij de les. Had ik dit nummer in 1980 gehoord, dan had ik die invulling niets gevonden, inmiddels denk ik daar anders over. Bovendien wordt het nummer steviger en bevat het een aparte gitaarsolo.
She Cares is een uptempo popliedje met een aangename melodie; opnieuw ben ik positief, terwijl het niet eens stevig is.
Op
Snowblind is de groep op z’n best, stevig en bluesachtig slepend met sterke melodie en zangharmonieën in het refrein. Idem voor
Half-Penny, Two-Penny over de zoon uit de stinkend rijke familie Cleaver. Sterk nummer, al had gastmuzikant Steve Eisen zijn saxofoon bij het slot wel in de koffer mogen laten.
Met het korte
A.D. 1958 lijkt de plaat af te sluiten, maar die eer gaat naar het nog kortere theaterpianootje van
State Street Sadie, dat nog geen halve minuut duurt.
Eldridge Cleaver blijkt echt te hebben bestaan, zo wordt meteen in het begin van podcast ‘In the studio with Readbeard’ onthuld.
Daarin zijn huidige leden én ex-lid Dennis DeYoung aan het woord. Het verval van het theater blijkt te staan voor het verval van de Verenigde Staten, zoals dat in 1979 zichtbaar werd. Thematiek afkomstig van DeYoung, die in een galerie het schilderij zag dat aan de basis van de hoes stond.
Wat ik niet meer wist is dat de groep vanwege antidrugslied
Snowblind werd beschuldigd van satanisme door de PMRC van Tipper Gore. Zucht, daar keken we indertijd met verbazing naar. Interessant wat de heren in deze podcast daarover hebben te zeggen.
In Oor was Kees Baars
positief, ook over de productie, die inderdaad voller klinkt dan op die vermaledijde voorganger. Het dubbele aantal sterren als ik die plaat gaf, gaat naar
Paradise Theatre.
Mijn late ontdekking van het oeuvre van Styx blijft boeiend, zoveel is zeker. Met dit album was de groep weer in vorm. Ik weet inmiddels dat het hierna minder zou zijn geworden, maar misschien beleef ik dat wel anders? De reis door Styx' discografie gaat verder...