1979 had een verregende zomer en omdat mijn ouders bezig waren met de verkoop van hun huis, konden we niet Nederland uit naar zonniger oorden. Wel gingen we twee weken naar het huis van vrienden in 's Gravenzande, dicht bij zee.
In een stad in de buurt (Delft?) kocht ik een popagenda voor het nieuwe schooljaar. Daarin stonden platenhoezen met korte beschrijvingen afgedrukt, zo ook
Country Life van Roxy Music. Mijn moeder had echter enige argwaan en controleerde de boel: deze moest eruit worden geknipt - net als een andere hoes met bloot, al weet ik niet meer welke. Ik was bang dat vrienden kritische vragen zouden stellen waarom ik in mijn agenda had geknipt en nam me voor dan een smoes te bedenken. Die situatie deed zich gelukkig nooit voor.
En nu staat ie hier dus op elpee, in kleuren en veel groter dan in die agenda. Twee berichten hierboven wordt dit treffend met de Wehkampcatalogus vergeleken... Mijn moeder leeft niet meer, maar ik weet zeker dat ik haar de aanblik zou onthouden. Overigens doet
Discogs aan dezelfde censuur!

.
Op hun vierde album kan Roxy Music nog altijd wild uit de hoek komen, getuige de onstuimige start met
The Thrill of It All, dat naast huilende gitaaruithalen van Phil Manzanera opvallend genoeg ook een strijkersarrangement heeft. Ik hoor er pre-new wave en -punk in, denk bijvoorbeeld aan Siouxsie and the Banshees of The Buzzcocks. In het kalmere
Three and Nine onder meer de hobo van Andrew Mackay en mondharmonica van een anoniem iemand (
Roxy6, weet jij meer?).
All I Want Is You heeft dan weer weg van protowave met de opvallende zangstijl van Bryan Ferry, net als
Out of the Blue waar Edwin Jobson zijn viool laat huilen: in 1974 kon nog niet worden vermoed hoe invloedrijk de groep zou zijn. Met de boogierock van
If It Takes All Night sluit kant 1 minder spannend af.
Theatraal-ingetogen én robuust is
Bitter-Sweet met één van de coupletten in het Duits vertaald door de hoesdames, Ferry zet zijn bijzondere stembuigingen in. Bijna deftig is
Triptych mede dankzij het klavecimbel van Jobson, langzaam bromt
Casanova.
A Really Good Time houdt de statigheid van de tweede plaatkant vast; opvallend is hoe een "gewoon" popliedje door de invulling van instrumenten en zang alternatief wordt.
Prairie Rose sluit
Country Life stevig af, Manzanera's lange gitaarlijnen klinken bijna als een steelguitar terwijl Mackay nog eenmaal zijn sax inzet.
In al deze eigenheid zou je bijna bassist John Gustafson en drummer Paul Thompson over het oog zien / het oor horen, maar het zijn hun lenigheid en swing die mogelijk maken dat de overige vier zich zo kunnen geven.
Met een stevige eerste plaatkant en rustiger tweede helft is dit een plaat vol variatie, een groep met een uniek, herkenbaar én pakkend geluid. Daardoor meer dan vijftig jaar later nog steeds niet verouderd. Is dit de eigenheid die een hedendaagse groep als The Last Dinner Party ook zoekt?
Kwam van de week dit
TopPop jaaroverzicht 1976 tegen. Roxy Music wordt een paar keer genoemd in deze hilarisch bedoelde aflevering, wat iets zegt over hun populariteit.
En de dames op de hoes? Eveline Grunwald poseerde jaren later
hier en Constanze Karoli
daar bij de foto. Ze bleven plaatjes.