In 1980 was ik met mijn ouders verhuisd naar een groter dorp en iets verder in de puberteit. Mijn smaak had zich ontwikkeld met als favoriete stijlen hardrock/metal én new wave, die laatste in de breedste zin van het woord. Want ook de hitparade bleef ik volgen, gewoon door Hilversum 3 te luisteren waar van alles langskwam van underground tot hitparadewerk. Én de Muzikale Fruitmand!

, het genre van mijn (groot)ouders en oudoom en -tante.
Oor verscheen nog iedere twee weken op groot formaat en daarom was ik minimaal elke veertien dagen in de bieb te vinden waar ik oude nummers én de nieuwe spelde. Ik was dus een redelijke allesvreter wat popmuziek betrof, al hoorde ik minder namen dan ik las. Zoals The Cramps.
In het voorjaar van 1980 moet ik de recensie van
Songs the Lord Taught Us zijn tegengekomen, een plaat die in mei uitkwam. Dankzij
dazzler staat een fragment van die recensie uit Oor 6 van dat jaar
hier op MuMe met als openingszin
"De grootste rock and roll sensatie sinds de Ramones." Toe maar.
In de jaren daarna volgden meer albums en werd ik de bijbehorende psychobillyscene gewaar: een selecte groep liefhebbers met een retro kledingstijl die tegelijkertijd een eigentijds jasje had. Dat gold dus ook voor de muziek: klassieke rock 'n' roll was door een punkmolen gehaald, waarbij tevens ingrediënten uit horror en sm werden toegevoegd. Die laatste twee zijn bepaald niet mijn ding; alhoewel ik vanuit hardrock en metal wel gewend was aan het imago van doodskoppen en skeletten, was dit toch anders.
45 jaar later hoor ik dan eindelijk het gehele album. Ik herken onmiddelijk de psychobilly: zang en gitaren in echo en reverb gedrenkt, akkoordenschema's op z'n rock 'n' rolls. Overeenkomsten zijn er met
L.A.M.F. van Johnny Thunders & The Heartbreakers en qua zang met Suicide, beide groepen eveneens uit New York en beide debuten uit 1977. Bij The Cramps is het echter véél meer retro. Sterker nog, op Discogs vind ik dat het album enkele covers en bewerkingen van r&r- en surfoudjes bevat, allemaal nummers die ik niet ken. Heb de jaartallen van de originele versies erbij gezocht.
TV Set is een bewerking van
Sundown (1960) van Don And The Galaxies,
Rock On The Moon is oorspronkelijk (1959) van Jimmy Stewart,
Garbageman komt van
Boss (1962) van The Rumblers,
I Was A Teenage Werewolf van
Strolling After Dark (1962) van The Shades,
Sunglasses After Dark is oorspronkelijk (1958) van Dwight Pullen,
What's Behind The Mask is een bewerking van
Tornado (1958) van Dale Hawkins en
I'm Cramped is geleend van
Bust Out (1963) van The Busters.
Allemaal namen waar ik nooit eerder van had gehoord en dat zegt iets over The Cramps, die duidelijk studie van hun muzikale wortels hadden gemaakt en dat knap omzetten in eigen werk.
Het is niet mijn kopje thee, maar wél leuk om eens een keer in te duiken. Daarom petje af voor de groep en hun originele invalshoek, waarmee ze een nieuw genre creëerden. Op mijn afspeellijst zette ik echter
Strychnine, een eigen compositie waar vooral postpunk klinkt.
De oorspronkelijke elpee sluit af met
Fever, in 1956 uitgebracht door r&b-zanger Little Willie Johnson maar vooral bekend in de versie van Peggy Lee van twee jaar later. Bij The Cramps krijgt het een enigszins griezelig sfeertje op een plaat die verder vooral uptempo rockt en rollt. Het orgel wordt hier bespeeld door Booker C oftewel Alex Chilton van
Big Star.
In 1998 verscheen de
cd-editie met de nodige bonussen, inclusief een ruzie in de studio bij
I Was a Teenage Werewolf (with false start). Plezant en gelukkig ook op streaming te vinden.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten vervolgt. In dit land van new wave kwam ik van de Duitse elektronica-avant garde van
Der Plan, volgende station is
The Correct Use of Soap van het Engelse Magazine.