Sinds Adrianne Lenker in 2018 op mijn pad is gekomen met abysskiss durf ik mezelf wel met trots een fanboy te noemen: er zijn weinig moderne folkartiesten te vinden met zulk fijnzinnig gevoel voor songwriting, specifiek in haar tokkelpatronen en poëtische teksten. Zoals ik wel vaker op dit forum heb opgemerkt, heb ik alleen vaak het gevoel gehad dat haar bandgenoten eerder een blok aan haar been waren dan dat ze de volle potentieel van haar liedjes lieten realiseren. Neem een
Terminal Paradise van eerdergenoemd abysskiss: een intiemer dan intiem fluisterliedje in zichzelf, maar plotseling omgetoverd tot halfbakken midtempoballad wanneer haar band haar vergezelt op UFOF. Daar komt nog bij dat haar allerbest geschreven liedjes naar mijn mening vaak gewoon niet te vinden zijn op platen van Big Thief. De eindeloos hypnotiserende ritmes van
ingydar heeft ze bijvoorbeeld wijselijk voor zichzelf gehouden op haar vorige soloplaat, en hetzelfde geldt voor het bijna tastbare hartenleed in
anything. Begrijp me niet verkeerd: ook met haar band zijn er genoeg pareltjes gemaakt waar ik keer op keer naar teruggrijp, maar het is een aantal waar je net een bijzonder goede compilatieplaat mee zou kunnen vullen, terwijl haar laatste twee soloplaten naar mijn mening bijna uitsluitend gevuld zijn met knallers.
Kortom, ook bij deze nieuwe worp verwachtte ik wederom een album met meerdere voltreffers en dan nog wat lekker wegluisterend maar iets minder memorabel materiaal. En alweer heb ik best gelijk gekregen voor mezelf - al moet ik daar meteen bij vermelden dat dit duidelijk de beste plaat van Big Thief is tot nu toe. Een belangrijke reden daarvoor is dat zelfs de minder speciale liedjes deze keer bijzonder aangenaam zijn vanwege de fantastische productie op deze plaat.
Change bijvoorbeeld is gebouwd rondom de minst originele akkoordencombinatie die je kan bedenken, maar werkt nog steeds door het sprankelende achtergrondgitaartje, de doffe drum en de subtiel ingebrachte tweede stem van Buck Meek. Hetzelfde geldt voor
Dried Roses, misschien wel het meest eenvoudige liedje op de plaat met een zanglijn die zich twee minuten lang precies hetzelfde voortbeweegt. Toch is dit misschien wel één van de hoogtepunten op de plaat, vanwege het krakende vioolwerk dat zijn intrede doet halverwege het nummer, en, ik moet het toch weer zeggen, die godsgruwelijk lekkere tweede stem. Zo'n gevoel van verfijning van eenvoudige liedjes was minder aanwezig op de vorige platen van Big Thief: daar was een simpel liedje gewoon simpel.
Dat neemt niet weg dat er ook hier weer materiaal opstaat waarvan ik het erg betwijfel of ik het over een paar maanden nog voor mezelf op ga zetten.
Sparrow bijvoorbeeld is net zo eenvoudig als
Dried Roses, maar heeft behalve een octaaf verhoging van de zanglijn aan het eind vrij weinig te bieden op muzikaal vlak, terwijl het één van de langste nummers op de plaat is.
Spud Infinity is catchy en gezellig, echt hoor, maar Lenker verliest me een beetje in voor haar onkarakteristieke meligheid wanneer ze over ellebogen gaat zingen.
12.000 Lines is ook weer zo'n gevalletje van oprecht lekker wegluisteren, maar buiten de warme productie is er zo weinig memorabel aan het nummer dat ik steeds vergeet hoe het gaat voordat ik het weer draai.
Flower of Blood is tot slot qua geluid een leuke throwback naar het geluid van Big Thiefs vorige platen, maar muzikaal net wat te simpel om overtuigend klaaglijk te zijn. Toch heeft dit nummer op productievlak ook wel weer wat superinteressants te bieden met de Modest Mouse-achtige gitaarkunstjes naar het einde toe.
En dat brengt me dan weer op datgene wat dit album toch het beste maakt in hun discografie: de ongelooflijke variëteit aan geluiden die de band hier presenteert. Na de eenvoudig zalvende opener waar ik het eerder over heb gehad komen ze op de proppen met het stompzinnig goede
Time Escaping, waarin Lenker plots over Talking Heads-achtige drumbeats aan het zingen is met een attitude waaraan je kan horen dat ze zelf net zo goed weet hoe fucking tof dit geluid is. Een elektronisch, bijna hiphop-achtig geluid wordt gepresenteerd op
Heavy Bend, dat veel te kort is voor hoe goed het is, maar toch precies lang genoeg.
Red Moon is dan weer onvervalste gepassioneerde americana, ook weer een geluid dat de band hiervoor nauwelijks verkend had. Al deze verschillende genres doet de band voor het eerst moeiteloos aan, met een zelfvertrouwen alsof ze het altijd al gedaan hadden.
Maar een Big Thief-plaat kan natuurlijk nooit de beste zijn als Lenker niet de kans krijgt om helemaal alleen de shine te stelen met haar akoestische gitaar, en ook hier is dat gelukkig wel het geval.
Promise Is A Pendulum is het type fluisterfolk waar ik eindeloos in kan verdrinken, en het
The Only Place had zo op één van haar soloplaten kunnen staan met zijn combinatie van gepassioneerd tokkelwerk en introspectieve poëzie. En zelfs op de momenten waar ik Lenker liever alleen had gezien, zoals het
eerder en veel beter uitgevoerde Simulation Swarm, blijft haar muzikaal en poëtisch vakmanschap van zo'n ontstellend hoog niveau (die alliteraties!) dat ik ook niet te veel mag klagen. Hopen dat het muzikaal genie dat Adrianne Lenker heet de komende jaren nog net zo productief zal blijven, met band of niet!