MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten Yak als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

Sleater-Kinney - No Cities to Love (2015)

poster
4,0
Yak
We hadden er eigenlijk niet op durven hopen, maar daar is hij dan: "No Cities to Love", elf nieuwe Sleater-Kinney songs, over de gehele linie érg sterk, met slechts een enkele misser. Maar goed, op "Call The Doctor" na was geen van Sleater-Kinney's albums 100% perfect. Nagenoeg perfect, dat dan weer wel.

"No Cities to Love" voelt als een precisiebombardement. Anders dan op hun eerdere albums lijkt elk element minutieus op de juiste plek te zijn geschoven, om zo het totaaleffect des te overweldigender te maken. En dat is even wennen. Vooral in vergelijking met "The Woods" kon het contrast bijna niet groter: dat album giert om de haverklap uit de bocht met alle wijzers in het rood, terwijl "No Cities to Love", hoewel luidruchtig als vanouds, altijd vlijmscherp blijft. Het geeft het album op momenten een bijna mechanisch geluid, met kortstondige elektrostatische gitaaruitbarstingen zoals we die ook van St. Vincent kennen. En sowieso dringt die vergelijking zich wel vaker naar voren. Sleater-Kinney is absoluut bruter, maar die ultra-precieze dosering van rauwe geluiden is een duidelijke (en fijne!) overeenkomst. En het is een geluid dat we van Sleater-Kinney nog niet eerder gehoord hadden.

"Price Tag" is gelijk alvast een beestachtige opener en zou zomaar eens kunnen uitgroeien tot één van mijn favoriete SK-nummers. Het übercoole riffje in de allereerste seconden is al een what the fuck?!-moment, maar dan hebben we het knalharde timmerwerk van Janet Weiss onder de refreinen nog niet gehoord. En als Carrie Brownstein vervolgens een minuut voor het einde haar gebulder inzet, lopen werkelijk de koude rillingen over mijn rug. Maar glorieuze momenten zijn er nog heel wat meer. Bij de onwaarschijnlijk in elkaar gewrongen gitaarlijnen van "Surface Envy" vraag je je af hoe het is godsnaam mogelijk is. "A New Wave" is één grote onweerstaanbare Carrie-show, en het meest ongegeneerd vrolijke nummer van de hele plaat. De voorwaarts mars van "Fangless" doet denken aan een herziene versie van "Dance Song '97" met een werkelijk fenomenale rol voor Janet Weiss. De bommen die ineens gedropt worden bij het kalm startende "No Anthems", en later weer bij het uitbundige "Hey Darling". De bloed- en bloedmooie gitaarlijn achter de coupletten van "Bury Our Friends". Missers zijn er ook: titelnummer "No Cities to Love" wringt en komt pas aan het einde echt op gang (vlak na een curieus intermezzootje waarin we Carrie voor het eerst toonvast horen zingen, in plaats van haar gebruikelijke elastieken stem). "Gimme Love" is een clunker van jewelste en duurt goddank maar iets over de twee minuten, en de theatrale afsluiter "Fade" doet me simpelweg niet zoveel, maar moet misschien nog groeien.

"No Cities to Love" heeft veel wat Sleater-Kinney zo goed maakt: de drie dames afzonderlijk zijn al onnavolgbaar, maar in combinatie ontstaat een weergaloos tornado-effect dat volstrekt uniek is voor deze band. Corin Tucker trekt met haar kolossale stem uiteraard de meeste aandacht, maar de glansrol van de meer op de achtergrond opererende Carrie Brownstein en Janet Weiss is minstens net zo groot. "No Cities to Love" is niet perfect, daar had ik niet op gerekend. Maar dit is wel een meedogenloze comeback die lang blijft nagalmen, en die me nog lang niet heeft losgelaten.

Sleater-Kinney - Path of Wellness (2021)

poster
2,5
Yak
En zo moet je stilaan gaan bekennen dat het woekerende Sleater-Kinney-vuur met elke release een stukje verder dooft. 'No Cities to Love' kostte wat tijd, moest een aantal missers overwinnen die ik van de dames niet gewend was, maar sloeg uiteindelijk naar de goede kant door. De vooruitgeschoven singles van 'The Center Won't Hold' deden vrezen voor het ergste, maar uiteindelijk schoot het album voor zeker de helft nog behoorlijk in de roos. Op 'Path of Wellness' krijgen de mindere kandidaten helaas dan toch echt de overhand.

Carrie Brownstein en Corin Tucker hadden op de albums na 'The Woods' tenminste nog de inspiratie om ook de mindere momenten weer terug in balans te krijgen. Tegenover elke drakerige 'The Future is Here' stond tenminste nog een 'The Dog/The Body', zogezegd. 'Path of Wellness' voelt als een album waaruit na een aardige start de inspiratie lijkt weg vloeien, en lijkt te weinig zelfkritisch en te makkelijk. Na het zoveelste intro op hetzelfde tempo en het zoveelste eenvoudige riffje blijf je soms achter met het gevoel dat er sinds het vorige nummer niets is veranderd, en juist dat is pijnlijk om te constateren van een band met zoveel geldingsdrang als Sleater-Kinney. Voorheen deden zelfs hun spaarzame mindere nummers iets met je, terwijl hun beste nummers voelden alsof er een tornado was langsgeraast waaraan niet te ontsnappen viel. Het nieuwe album is in vergelijking daarmee eerder een onmerkbaar briesje: slechts zelden écht vervelend, maar ook zelden opvallend, en dat is wel een erg lage ambitie.

Het begint nog behoorlijk hoopvol. 'Path of Wellness' is een übercoole inleiding, en ik ben benieuwd hoe 'High in the Grass' had geklonken als ze het in 1998 hadden opgenomen met de urgentie van destijds in plaats van de nette productie van nu. In het ongedwongen 'Worry With You' hoor ik weer helemaal waarom ik zo verliefd ben op die unieke stem van Carrie en die vraag/antwoord-gitaarpartijen van deze band.

Maar dan slaat het album om en wordt het allemaal te geforceerd. Waar 'Worry With You' Carrie op haar verleidelijkst is, horen we op 'Method' wat er gebeurt wanneer ze haar inspiratie volledig kwijt is. In 'Shadow Town' lijkt Corin met alle moeite niet verder te komen dan vermoeiende sfeerschetsen over “broken dreams”, wat in alles doet denken aan miskleun 'The Future is Here' van het vorige album. Na dit voorlopige dieptepunt volgt het enige nummer dat het album van de ondergang weet te redden, het onweerstaanbare 'Favorite Neighbor', dat eindelijk weer eens niet zo tergend serieus en overberedeneerd klinkt. Maar als we deze klapper eenmaal gepasseerd zijn, merk je dat het einde van het album nadert zonder dat er verder iets vermeldenswaardigs is gebeurd. Niet de gimmick die 'Complex Female Characters' is, niet de slome bedoeling van 'Tomorrow’s Grave' en 'Down the Line', en zeker niet de poging om in 'Bring Mercy' de huidige wereld te beschrijven in grote gevoelens, wat het alleen maar afstandelijker en vrijblijvender maakt.

Ik snap dit album ook werkelijk niet. Tien jaar geleden en zes jaar na het stilleggen van Sleater-Kinney, kwam Carrie Brownstein zomaar even nonchalant met een nieuwe groep en een briljant album op de proppen. Wild Flag was volgens mij puur geboren uit noodzaak: Carrie moest en zou muziek maken, het was haar levensadem, en je hoorde op dat album waartoe ze in staat was tijdens zo’n plotselinge vlaag van inspiratie. De ongedwongenheid van Wild Flag valt wel af te lezen aan de hilarische clips bij dat album. En ik kan ook niet anders dan steeds opnieuw terugdenken aan de interviews van ruim vóór die tijd, toen de dames elke gelegenheid aangrepen om te verkondigen hoe zeer hun interne drive, hun noodzaak, “we nééd this”, ze aanzette tot het maken nieuwe muziek, steeds anders, steeds urgent. Het is misschien flauw om in het verleden behaalde resultaten die geen garantie bieden voor de toekomst erbij te moeten slepen, maar Sleater-Kinney en Wild Flag hadden wel het bestaansrecht dat op deze laatste release ver te zoeken is. Het is tekenend dat in 2002 de staat van de wereld ze aanzette tot het schrijven van het genadeloos relevante 'Combat Rock', terwijl de staat van de wereld in 2021 tot niet meer inspiratie leidt dan het “lost in isolation, we live divided” COVID-gejammer van van 'Bring Mercy'.

Begon het met 'The Center Won't Hold' al weg te ebben, in 'Path of Wellness' zit overduidelijk niets meer van de noodzakelijkheid die we van Sleater-Kinney kenden. Misschien is die sturm und drang teveel gevraagd, zestien jaar nadat de naschokken van 'The Woods' inmiddels zijn gedoofd. Maar een paar goede nummers, één onvervalste knaller, en voor de rest vergeetbaar materiaal, vind ik wel een erg magere opbrengst.

Sleater-Kinney - The Center Won't Hold (2019)

poster
3,5
Yak
Ik ben nooit bij voorbaat tegen muzikale veranderingen voordat ik iets van het resultaat heb gehoord, maar toen ‘Hurry On Home’ en ’The Future Is Here’ als vooruitgeschoven posten waren te beluisteren werd ik niet blij. Met name ‘The Future Is Here’ zou zomaar eens het slapste nummer kunnen zijn dat ik ooit van deze band heb gehoord. Vervolgens zakte met het vertrek van Janet Weiss de moed me al helemaal in de schoenen. St. Vincent, wiens rare, afstandelijke act me zeker na haar zwakke laatste album steeds meer tegenstaat, leek een slechte match voor Sleater-Kinney. Het beloofde allemaal niet veel goeds.

Nu het album er is, blijkt het reuze mee te vallen. Ja, de invloed van St. Vincent is zo goed merkbaar dat het soms lijkt alsof ze eigenhandig een paar extra bruggetjes heeft ingezongen en in de nummers heeft geplakt (zie: het einde van ‘Hurry On Home’, het bijna-einde van ‘Can I Go On’), maar over het algemeen pakt haar productie bepaald niet slecht uit. De ronkende synthesizers die links en rechts opduiken, of de vaak dik aangezette drums - eigenlijk klinkt het meestal gewoon fucking goed. Zolang de nummers sterk zijn overstijgen ze sowieso welke productie dan ook, en behoorlijk wat nummers van dit album (maar zeker niet allemaal) zijn sterk.

Het merendeel past niet echt in het format dat we kennen van deze band. Het titelnummer is dan ook meteen een vreemde curveball: de laatste minuut is brute oer-Sleater-Kinney die we niet meer hebben gehoord sinds The Woods, maar het geluid van dat ene minuutje zal het nergens op het album meer terugkeren. En hoe zeer ik ook kan terugverlangen naar met name 'Call The Doctor', aan de andere kant staat het opgepoetste geluid de dames ook wel - sterker nog, de onbeschaamde poppyness van ‘LOVE’ en het kolossale refrein van ‘The Dog/The Body’ zijn zo onweerstaanbaar dat het voorlopig mijn favoriete nummers van dit hele jaar zijn. Het dansen tot de verdoemenis ons overspoelt van ‘Bad Dance’ is ook vrij weergaloos. En was dat nummer al een vreemd ding, zeker voor Sleater-Kinney-begrippen, dan bewijst de soort spookslot-opera van 'RUINS' wel hoe zeer het de bevreemdende kant kan oprollen, al kan ik op andere momenten ook werkelijk helemaal niks met dat nummer. ‘Restless’ en ‘Can I Go On’ zijn wat rechtlijniger en vallen daardoor misschien iets minder op, maar ook dat vind ik puike nummers.

Het is jammer om te moeten constateren, maar ik vind op dit album vooral Corin Tucker tegenvallen. De nummers die door haar gedragen worden (‘Reach Out’, ‘The Future Is Here’, ‘Broken’) zijn zwaar ondermaats, en hoewel Carrie ook wel eens betere teksten heeft geschreven dan op dit album, zijn het toch met name die vele dik aangezette teksten van Corin die me regelmatig doen zuchten van ergernis (“darkness is winning again”, “I start my day on a tiny screen”, “I really can't show you that face”). ‘Broken’ is toch wel het absolute dieptepunt van dit alles - vrijwel niets is goed aan dit nummer, van de kleuterachtige melodie op een slome 1980’s elektrische piano tot de beroerde teksten aan toe. Het sluit het album af met een wel erg valse noot, zeker na de overwinningsroes van ‘The Dog/The Body’.

Ik kan er alleen maar naar gissen hoe de totstandkoming van dit album gelopen is, maar voor mij voelt het alsof Corin en Janet buitenspel zijn gezet door het duo Brownstein/Clark, die samen overduidelijk de doorslaggevende stem op dit album hadden. Schoorvoetend toegelaten inspraak van de andere bandleden heeft meteen ook de slechtste nummers opgeleverd. Of dit alles ook te maken heeft gehad met Janet’s vertrek, of dat het de reden is dat Corin slechts een bijrolletje op dit album lijkt te vervullen, ik heb werkelijk geen idee. Maar pijnlijk is het wel, want Sleater-Kinney is letterlijk de oude niet meer. Wat het wel heeft opgeleverd is een verre van een slecht, bij vlagen zelfs verbijsterend goed album.

Sufjan Stevens - The Ascension (2020)

poster
2,5
Yak
De driedubbelklapper Michigan / Seven Swans / Illinois is in deze tijd bijna ondenkbaar: drie Sufjanplaten in drie jaar tijd, alle drie van begin tot eind foutloos. Omdat deze albums me nog altijd zo dierbaar zijn, is het lastig om The Ascension te beoordelen zonder een zweem van valse nostalgie. Of het mijn oordeel heeft beïnvloed, ik weet het niet. Ik hou mezelf maar tevergeefs voor dat ik tot hetzelfde oordeel over het teleurstellende The Ascension was gekomen als het album door een artiest was gemaakt waar ik voorheen nog nooit van had gehoord.

Ik kan me niet aan het gevoel onttrekken dat Sufjan dit album grotendeels op autopilot heeft gemaakt: weinig interessante ideeën die elk toch worden uitgebouwd tot liedjes, en die elk plichtmatig naar een einde toe worden gedirigeerd. Het blijkt ook al uit interviews die hij heeft gegeven: het doelbewust aansturen op tekstuele algemeenheden, de ergerniswekkende love-will-last-forever's en sing-that-sad-song's, om daarmee een soort verborgen diepere betekenis aan te boren die totaal aan me voorbijgaat. Het voelt voor mij eerder als excuus voor een diepgeworteld gebrek aan inspiratie, die zich ook laat gelden in de muzikale omlijsting van deze holle teksten: vrijwel alles zit gevangen in hetzelfde modderige, dichtgeplamuurde, zielloze geluid, drums die niets aan kracht hebben, flinterdunne schelle synthesizergeluiden die elk nummer het karakter meegeven van een wespennest.

Sufjan komt uit Detroit; natuurlijk heb je dan techno door je aderen stromen, en die invloed op deze plaat is onmiskenbaar. Maar waar het precieze geluid van techno juist zo effectief is, minimale middelen voor een overweldigend effect, lijkt Sufjan hier niet verder te komen dan wat nabootsing zonder te weten wat hij precies moet doen. Neem de finale van Make Me an Offer I Cannot Refuse, wat had moeten klinken als een dikke technotrack, maar in onbekwame handen eerder klinkt als een dj-setje door computerspeakers. Of Gilgamesh, die zo graag een Mark Bell-productie anno Homogenic had willen zijn, maar met zijn matte, karakterloze geluid totaal niet overtuigt. Ativan, Die Happy, Ursa Major, elk nummer opnieuw loopt met zijn wielen vast in hetzelfde moeras aan synthesizereffecten, echo's op de vocalen, en noem maar op.

Luister je door de productie heen dan blijkt het merendeel van de nummers ook totaal geen eeuwigheidswaarde te hebben. De single Video Game ("I don't wanna play, I don't wanna play, I just wanna go away") had met het eerste couplet zijn punt al gemaakt en sleept zich, net zoals bijvoorbeeld Ativan en Landslide, verveeld naar het einde toe. Singles America en Sugar lieten me totaal koud, en het "Mad World"-plagiaat inclusief hondsberoerde samplegekte van Lamentations is misschien wel de grootste miskleun die Sufjan ooit heeft gemaakt.

Oplevingen zijn er, maar ze zijn spaarzaam: hoewel het ten onder gaat in de vervelende productie (mijn god, die "I wanna love you"-sample), is Ursa Major eigenlijk best een mooi liedje, en ook Tell Me You Love Me is fraai. The Ascension (het liedje) zou op een betere plaat niet hebben misstaan als een soort van coda, de kalme begeleiding naar de laatste seconden van het album toe. Het is tekenend dat juist zo'n nummer op dit album nog één van de betere pogingen blijkt te zijn, maar helaas is het slechts de kalme begeleiding naar het dodelijk saaie America.

The Ascension moet liefst drie kwartier duren voordat we eindelijk een oprechte knaller te pakken hebben met de twee-eenheid van Death Star en Goodbye to All That: hier horen we een zelfverzekerde Sufjan, die niet klinkt alsof hij zich geen raad wist met de productie. Kaal, effectief en spannend, met de beats frontaal naar voren gedrukt, Death Star is geen ontsnappen aan. Hoe dit mechanische gebeuk vervolgens overvloeit in de betoverende vocalen van Goodbye to All That levert het kippenvelmoment op waarop ik het hele album al tevergeefs wachtte.

Al met al is The Ascension voorlopig een grote teleurstelling, die zich ook na drie draaibeurten niet heeft weten te openbaren. Ik had hem voelen aankomen: uit alles bleek dat The Ascension meer in het verlengde zou liggen van The Age of Adz, en hoewel op dat album een aantal parels staan die op The Ascension veelal ontbreken, heeft het me ook nooit echt weten te raken. Maar goed, is het erg dat het mijn ding niet is? Vroeger vreesde ik met grote vrezen voor elk nieuw album van een geliefde artiest, uit angst dat een tegenvaller meteen een smet op het gehele oeuvre zou betekenen. Maar dat is natuurlijk onzin.