Die eerste 52 seconden van
Dancing with the moonlit knight, zo totdat de piano van Tony Banks invalt, zijn dat de mooiste ooit van Genesis? Steve Hacketts gitaarwerk, de zang, de algemene sfeer, de tekst vol associaties met sprookjes, mythes en legendes, en vooral die melodie die mij elke keer weer een brok in mijn keel geeft bij “he
traded in his prize”... en dat is dan alleen nog maar de eerste minuut van wat ik beschouw als het hoogtepunt uit het oeuvre van dit kwintet, en als het begin van mijn bericht stuk lijkt te zeggen dat voor de rest van
Selling England dus moet gelden dat "the only way is
down" moet ik er meteen bij zeggen dat de rest van de plaat nergens onder het *****-niveau zakt.
More fool me is een buitenbeentje maar misstaat niet,
The battle of Epping Forest is misschien wat veel van het goede maar verveelt dankzij zijn gevarieerde structuur en grappige personages ook nergens, en van
The cinema show kan ik maar geen genoeg krijgen.
Grappig genoeg was ik net als
RuudC (23-2-2018) altijd “een veel groter liefhebber van goed gitaarwerk”, maar onder de invloed van alle oude en nieuwe progbands die ik de afgelopen jaren ben gaan luisteren ben ik ook toetsenisten steeds meer gaan waarderen (is dat begonnen bij dat karakteristieke orgeltje van Caravans David Sinclair?), en de lange solo van Tony Banks op het einde van
The cinema show is misschien wel het mooiste toetsenwerk dat ik ooit heb gehoord: afwisselend qua klankkleur, verschillende sferen proberend, vaak van de ene sound naar de andere springend zonder dat ik altijd precies kan horen of Banks hij nou ook echt een heel ander keyboard gebruikt, en vooral bij elke “geleding” van zijn solo mij meevoerend verder het onbekende land in, voorbij heuvels en bossen en verre woestijnen... steeds dieper de plotloze maar uiterst visuele vertelling in (natuurlijk met dank aan de drie andere muzikanten die een prachtig bedje voor hem spreiden), totdat ik tenslotte uitkom bij de coda van
Aisle of plenty met de reprise van de
Moonlit knight-melodie die opnieuw mijn hart breekt en de tekst vol lichtelijk bizarre reclame-aanprijzingen die daar geen groter contrast mee zou kunnen vormen. (Ik probeer bij deze band ook niet al te veel aan tekstverklaring te doen om het mysterieuze aura van de verhalende teksten in stand te houden.)
Dit is één van die platen waardoor ik me vertwijfeld afvraag waarom de rekenmeesters toch ooit beslist hebben dat een top-tien slechts tíén platen mag herbergen. En dan heb ik het nog niet eens gehad over Hacketts sublieme gitaarspel dat zó’n integraal onderdeel van de hele sound is dat dikwijls niet eens opvalt hoe briljant het is.