Net als de hoes is Goodbye and hello voor mij een plaat met twee gezichten.
Eind jaren negentig kwam ik dit album tegen in de uitverkoopbakken van een sindsdien ter ziele gegane CD-winkel, voor de zeer schappelijke prijs van 10 (toen nog:) gulden. Buckley was voor mij toen alleen nog maar een Beroemde Naam (gelukkig wel al bekend als "an artist in his own right" en niet als vader-van), en omdat ik altijd graag de "zwarte gaten" in mijn kennis van de geschiedenis popmuziek wil opvullen nam ik deze ongezien mee. De eerste twee nummers deden me nog niet echt opveren, maar vanaf de eerste noten van Pleasant Street was het raak, en Buckley heeft me daarna eigenlijk niet meer losgelaten. Ik heb lang niet alles van hem, en op zijn latere platen (vanaf Starsailor) heb ik soms ook wel behoorlijk wat moeite, maar zijn vroege werk vind ik magisch. (Waarom leg ik dit nog uit? Hier bevinden zich veel geloofsgenoten.)
Zo ook het merendeel van de nummers op Goodbye and hello. No man can find the war valt misschien nog binnen de traditie van de klassieke protestsong, en Carnival song is nog een kort (maar fraai) psychedelisch-romantisch nummer, maar daarna nemen de nummers dikwijls een muzikale of tekstuele en in ieder geval altijd emotionele left turn die de plaat nog altijd fris en vooral uniek houdt. Leerden we vroeger op school niet dat literatuur volgens Willem Kloos de allerindividueelste uitdrukking van de allerindividueelste emotie is? Dan schrijft Tim Buckley vaak muzikale literatuur, en die is vaak ook zo allerindividueelst omdat nummers als Pleasant Street, Hallucinations en Morning glory na al die keren dat ik ze heb gedraaid nog altijd geen eenduidige "betekenis" of emotionele lading hebben.
Helaas –het andere gezicht van dit album– gaat dat voor mij slechts voor 28 van de 43 minuten op. Die 28 minuten worden gevuld door acht van de tien nummers, maar die andere twee nummers kan ik maar niet mooi vinden, en helaas zijn dat wel de twee langste tracks van de plaat. In I never asked to be your mountain wordt een toch al niet zo interessante melodie overweldigd door een drukte van congas en akoestische slaggitaar, en door het David Ackles-achtige theatrale orkestrale arrangement en de vele maat- en stemmingswisselingen valt het titelnummer voor mij uiteindelijk als los zand uit elkaar. Ik heb allebei de nummers vaak geprobeerd te waarderen, maar ik kan mijn aandacht er echt niet bij houden, en ze vormen voor mij toch een smet op een verder zo prachtige plaat.
De volle mep qua sterren kan ik dus uiteindelijk niet voor dit album geven. (Als nu dit een ultrakorte plaat van 28 minuten –dus met alleen die acht sterke nummers– was geweest, zoals in de zestiger jaren wel vaker voorkwam, hoe zou ik hem dan gewaardeerd hebben?) Die acht nummers herbergen echter zóveel moois en zóveel muzikale rijkdom dat ik toch tegen de maximale score aan ga leunen. Als mensen mij vragen met welke van Buckley's platen ze moeten beginnen noem ik nog altijd Goodbye and hello, en dan niet eens omdat dat ook voor mij het vertrekpunt was maar vooral omdat dit een zeer veelzijdige plaat is waarop alle facetten van Buckley's genie tot uiting komen.