Blackwater Park betekende de definitieve doorbraak van de Zweedse death metal band Opeth. Toen het album in 2001 uitkwam werd het onthaald op erg goede kritieken, en sindsdien wordt het vaak vernoemd in lijstjes allerhande. Het is waarschijnlijk het meest succesvolle album in het genre, en wordt vaak aangegeven als een ideaal startpunt om kennis te maken met de typische death metal zang, de grunt. Hier kan ik enkel mee akkoord gaan, want ook ondergetekende leerde grunten appreciëren dankzij Blackwater Park. En hoewel het album zijn zwakkere momenten kent, is het een terechte mijlpaal in het genre.
Toen het album uitkwam in 2001 had Opeth al een serieuze muzikale evolutie doorgemaakt. Ze begonnen met melodische death metal op Orchid ('95) en Morningrise ('96), en eens ze internationaal doorbraken verbreedde hun muziekstijl zich. Vanaf My Arms, Your Hearse ('98) werden de nummers iets korter en werd er meer aandacht besteed aan contrast en dynamiek binnen de nummers zelf, met sfeerwisselingen gebaseerd op de overgangen van akoestische passages naar harde stukken. Dit was mede te danken aan de komst van hun nieuwe drummer, Martin Lopez, die ook op Blackwater Park in erg goeie doen is. Hij weet de death metal kant van de muziek te ondersteunen met woeste drums, en de kalme stukken voorziet hij van een meer jazzy percussie. Still Life ('99) was een verdere verdieping van hun evolutie, en Blackwater Park kan op zijn beurt beschouwd worden als een meer gepolijste vorm van hun muziek, en is in zekere zin hun magnum opus. Het idee van een concept album lieten ze achterwege, en met behulp van producer Steven Wilson (van Porcupine Tree) perfectioneerden ze hun geluid.
Sindsdien wordt de muziek van Opeth benoemd met de term 'progressieve death metal'. Zware drums, virtuoos gitaarspel en diepe grunts worden afgewisseld met rustigere akoestische passages. Zo een dynamiek is een riskante aangelegenheid, maar bij Opeth zijn de rustigere passages volwaardige delen van de nummers. Het succesvol afwisselen van de cleane vocalen met de grunts draagt daar zeker bij mee, want het is weinigen gegeven om zo schitterend te zingen en te grunten als de frontman Mikael Akerfeldt. Zijn gewone stem lijkt wat op de stem van Steven Wilson van Porcupine Tree, en hij kan er erg goed mee overweg. Vooral het veelvuldig gebruik van harmonieën valt me erg in de smaak. Ook de zware zang is een schot in de roos. Zijn grunts zijn diep en indrukwekkend, en verbazingwekkend melodieus voor zulk een beklemmende stijl. Het teruggrijpen naar effecten (zoals op Dirge for November) is dan ook totaal overbodig, en ik vind het een spijtige tendens dat daarvoor op latere albums steeds vaker zou worden geopteerd. Het gitaarspel is eveneens indrukwekkend, met veel afwisselende riffs en erg veel aandacht voor melodie. De twee gitaristen (Akerfeldt en Peter Lindgren) vullen elkaar goed aan en zorgen samen met de bas (Martin Mendez) voor een vol geluid dat zeker wat te vergelijken valt met Porcupine Tree. Er wordt af en toe wat bluesy gesoleerd, aan een relatief rustig tempo en nooit overdadig lang.
Het moet gezegd worden dat ze hun nummers soms wel wat te veel rekken. Enkele riffs worden te vaak herhaald en daardoor slepen vooral de overgangsstukken in de nummers wat aan. De nummers in het midden van het album lijden daar wat onder. Ook zijn niet alle riffs even goed, maar met de enorme overdaad aanwezig op Blackwater Park is dat eigenlijk muggenziften. Dankzij het expressieve drumspel van Lopez komen de logge riffs immers echt tot leven waardoor de muziek nooit in sloomheid verzandt - iets wat bij zulke zware muziek wel eens wilt gebeuren. Ook hier weer is heel wat te danken aan de uitstekende productie van Wilson. De drums zijn erg helder, en alle instrumenten komen dankzij de reverb echt samen in de mixing zonder hun eigenheid te verliezen.
The Leper Affinity opent op magistrale wijze met een traag aanzwellend dissonant akkoord dat plots explodeert in één van de sterkste riffs van het album. Scheurende gitaren en excellente percussie maken het een erg vlot vloeiend nummer. Hoogtepunt is zonder twijfel het moment waarop Akerfeldt voluit 'Deafening shrieks pierced the night' schreeuwt, kippenvel moment. Rond 8:00 schudt Lopez dan zo'n sexy drum fill uit zijn mouw, en de outro wordt ingezet. Als epiloog komt er dan een enkele piano, akelig eenzaam een einde gevend aan het nummer.
Vervolgens gaan ze echt de progressieve metal richting uit met Bleak, dat hoge schrille elektrische gitaar combineert met sprankelend akoestische gitaar. Dit is waarschijnlijk hun beste combinatie van cleane vocalen en grunts. De extra zang van Steven Wilson geeft de rustige passage helemaal het Porcupine Tree sfeertje mee, dat dan opengebroken wordt met denderende drums. Aan het eind van het nummer is er wel een lelijke passage wanneer de gitaren herleidt worden tot geluidsruis. Harvest is een akoestische ballade, ingetogen drums en uitsluitend cleane vocalen. Een ideaal nummer om Opeth te leren kennen, maar een beetje magertjes in vergelijking met de eerste twee nummers. De single The Drapery Falls is weer een zwaarder nummer, met wel veel cleane vocalen en een rustig tempo. Het sleept hier en daar wat aan, maar het blijft nog steeds een erg goed nummer.
Dirge for November is voor mij het minste nummer op het album. Hoewel de akoestische outro na zes minuten prachtig is, is het begin van het nummer wat eentonig. Eén van de voornaamste punten van kritiek die Opeth te verduren krijgt is meestal dat alle nummers hetzelfde procédé bevatten, en dat speelt hun hier wat parten door het ontbreken van een echte climax. Leuke riffs genoeg, maar ze zijn een beetje doelloos. Een van de zwaarste nummers op het album is The Funeral Portrait, dat opgebouwd is rond een wel heel erg lekkere gitaarriff. Akerfeldt doet hier ook enkele ferme uithalen met een aanzwellende grunt. Beetje verrassend dat het hier het minst favoriete nummer van het album is (Pattern in the Ivy en de bonusnummers buiten beschouwing gelaten). Het instrumentale Patterns in the Ivy is een kort nummer met enkel gitaar en piano, en dient als een adempauze vooraleer het titelnummer aftrapt. De afsluiter is een waarlijk episch nummer dat vooral dankzij de sterke zang en loeiharde drums een ontzagwekkende finale kent.
Nu ik toch al zo'n lap tekst heb neergeschreven kan ik evengoed een woordje spenderen aan de verpakking. De hoes van Blackwater Park is mijn favoriete Opeth hoes, en eigenlijk de enige die ik echt geslaagd vind. Het stelt een mistig moeras voor met op de achtergrond vage gestaltes, mooi glad gephotoshopped. Een beetje zoals de muziek dus: duister en mysterieus, in zekere zin akelig, maar dankzij de productie toch erg aangenaam om te bewonderen. Het tekstboekje kan helpen om de grunts te ontcijferen, want bij momenten is hij wel nogal lastig te verstaan. Spijtig is dat eigenlijk niet, want veel diepgang is daar niet te vinden. The Leper Affinity gaat over een brutale verkrachting, the Funeral Portrait over een seriemoordenaar, ... de standaard death metal thematiek. Het titelnummer behandelt de neerwaartse spiraal van een dorp (Blackwater Park) dat in de greep is van een pandemie, en uiteindelijk ten onder gaat aan aan de duistere natuur van de inwoners, en hun onvermogen om zich te bekommeren om de zieken (This doesn't concern me yet/ Still far from the knell/ Taunting their bereavement). Wel leuk om eens op te letten, maar een boodschap zit er dus niet in. Pure entertainment, en erg goede wat mij betreft. Het album zakt af en toe wat in - de opener en de afsluiter steken er duidelijk bovenuit - maar minder dan zéér goed wordt het nergens. Een aanrader voor liefhebbers van zware metalen, en een uitstekende manier om grunts te leren appreciëren.