Ik beluisterde dit album voor het RYM top-250 review topic – anno augustus 2022 was dit RYM #233
Een review schrijven voor deze Opeth-plaat voelt alsof ik in mijn paarse ANWB-regenjas de keet van de Hells Angels binnenloop en aan de bar vraag of ze ook ranja verkopen. Om vervolgens bij de vraag wat ik hier te zoeken heb tevreden naar mijn elektrische tourfiets met waterdichte fietstassen te wijzen.
Als ik op deze site kijk naar de paar metalplaten waar ik een hoge score aan geef liggen die allemaal aan de randen van het genre - of dat nou is omdat ze een knalgroene of -roze hoes hebben, een wisselwerking met ambient aangaan of eigenlijk meer Punk dan Metal zijn. Het genre heeft me al regelmatig verbaasd, met als meest recent voorbeeld Burzum, wier 'Filosofem' plaat tot mijn eigen verwarring goed landde bij mij. Nu zie ik mezelf hier evengoed al in de rondte consumeren en recenseren als die vervelende hipster die eigenlijk niets met metal heeft maar wel graag Deafheaven en Nadja luistert (overigens twee acts die zich in ieder geval nadrukkelijk onttrekken aan de metal-standaarden - of clichés, zo u wilt). Daarom wil ik proberen te duiden hoe ik dit album ervaar.
Sommige mensen lezen graag 700-pagina-dikke fantasyboeken die spelen in een wereld waarin door een individu (de schrijver) alles verzonnen is. De losse elementen voelen voor mij daardoor per definitie dun en weinig geaard, hoeveel moeite je er als lezer/luisteraar ook in stopt. Zo voelt deze muziek voor mij ook: er is wekenlang geoefend om een bepaalde sfeer en compositie te creëren, maar die voelt ondertussen zo bedacht en gekunsteld aan dat ik er haast niet naar kan luisteren. Grunts of schreeuwen vind ik prima – althans, die stoten me als kunstvorm an sich niet af, maar het is boven alles juist de cleane zang, zoals op ‘Bleak’, die eerder op de lachspieren werkt dan dat ik er op enige manier serieus naar kan luisteren. Wat die zanger ook zingt, ik geloof hem niet omdat het me belachelijk en fantastisch (in de verkeerde zin van het woord) in de oren klinkt. Zelfs de rustmomenten zijn vreselijk opgeblazen en theatraal, waardoor er feitelijk geen rustmomenten zijn en de contrasten allemaal bovenop de zwaar opgeblazen productie plaatsvinden en zo helemaal niet contrastrijk aanvoelen. Vrijwel elke gitaarsolo wordt van zoveel pathos voorzien dat het haast onmogelijk wordt om er nog normaal naar te luisteren. Nergens word je eens op het verkeerde been gezet, en de broodnodige knipoog ontgaat me hier dan ook volledig.
De plaat is heel makkelijk beluisterbaar door de duidelijk identificeerbare melodieen en rechttoe-rechtaan structuren, maar er wordt hier toch een enorme lading opgeblazen dramatiek over me uitgestort. Het meest storend wordt dat als er "epische" gitaarstukken worden ingegooid zoals op 'Dirge for November’ vanaf 2:40. Bij zoveel opgeklopte dramatiek krijg ik een gevoel van Bassie en Adriaan die in een UFO worden achternagezeten door Vlugge Japie in een Lord of the Rings kitschdecor. Het voelt allemaal zo verschrikkelijk arbitrair en daardoor nergens urgent aan. Het is technisch ongetwijfeld briljant maar welbeschouwd gebeurt er voor mijn gevoel vrijwel niets relevants op deze plaat vol stadionrock on steroids.
Nou las ik op eerdere albumpagina’s alhier dat progliefhebbers deze plaat saai en eentonig vinden. Ik wist werkelijk niet wat ik zag: deze plaat gaat juist ten onder aan een gebrek aan eentonigheid. De krankzinnige geldingsdrang van zowel zanger als instrumenten maakt dat beiden vrijwel permanent “aan” staan. Maar het is uiteindelijk vooral de esthetiek waar ik niets mee kan. Die hooguit op mijn lachspieren werkt terwijl de plaat ondertussen geen enkele vorm van ironie of zelfspot toont.
Ik heb een beetje getwijfeld of ik hier nu een score aan zou toekennen, maar zonder negatieve kritiek worden positieve verhalen mijns inziens ook betekenisloos – dus bij dezen: 1.5*