Het is het einde van een tijdperk want na zeven albums (vanaf The Number of the Beast tot en met Fear of the Dark) verlaat zanger Bruce Dickinson de groep om zich te concentreren op zijn solocarrière. Het is toch nieuws die inslaat als een bom, hoewel ik blijf vinden dat na Seventh Son of a Seventh Son in 1988 het met Iron Maiden achteruit gaat. No Prayer for the Dying en Fear of the Dark bevallen mij heel matig. Daar draagt hij mee verantwoordelijkheid in als zanger die een zeer bepalende rol heeft in het totaalgeluid van Iron Maiden. De klad zit erin, bij iedereen trouwens maar bij Steve Harris in het bijzonder wiens schrijversput alsmaar leger geraakt.
Iedereen verdient een eerlijke kans. Dat horen we vaak zeggen en dat zeggen we ook vaak. Rechtvaardigheid is een belangrijke deugd. Blaze Bayley van de Britse groep Wolfsbane wordt aangetrokken als vervanger. Mijn reactie toen was: “Wie is in hemelsnaam die vent en waar hebben ze die opgeraapt?” Zowel de persoon en de groep waren voor mij nobele onbekenden, het is toch een grote sprong voor hem. Gaat hij het aankunnen? Gaat hij niet plat op zijn gezicht vallen? Zie de eerste zin van deze alinea: hij verdient een eerlijke kans.
Het is een nieuw begin. Nieuwe mensen zorgen voor een frisse wind en de promotiemachine van EMI doet ook zijn duit in het zakje. Niet alles is nieuw, opnieuw wordt het album bij Steve Harris thuis opgenomen en doet hij de productie. Dat doet hij beter niet want het geluid is weeral verre van sprankelend en dynamisch, eerder dof, ontdaan van alle vuur. Er werd al bij dit album gezegd dat het een donkere periode is voor hem (scheiding en overlijden vader). Reden te meer om het van zich af te schrijven in muziek en/of teksten en de productie aan iemand anders over te laten. Je kan maar zoveel aan. Toegegeven, The X Factor bevat wel geen van die onnozele dijenkletsers annex Zatte Engelsen songs als op de vorige twee albums.
Ambitieus en nieuw is wel de trage aftrap van dit album met tevens het langste nummer, het is mijn inziens ook het beste nummer van dit album gevolgd door Man on the Edge. Sign of the Cross duurt wel te lang, men mocht het nummer bijtrimmen. Over de andere nummers kan ik zeggen dat ik iedere keer iets nieuws ontdek… want nauwelijks is het nummer gedaan en ik ben het al vergeten. Het ligt ook aan mijn geringe interesse in dit ding. Ferre gaat me doodslaan hiervoor, denk ik. Of het gaat me een paar Westvleterens kosten.
Weinig avontuur en begeestering hoor en voel ik in de veelal slaapverwekkende nummers, iedere keer betrap ik mezelf op het afwachten op de gitaarsolo's die goed zijn maar verre van het spektakelwerk van de jaren tachtig. Natuurlijk blijf ik vergelijken met die albums, wat wil je, het zijn toppers van jewelste. Het gemis van twee belangrijke medecomponisten laat zich nog meer gevoelen, Adrian Smith en Bruce Dickinson weg en in de plaats daarvan... Ik krijg best een beetje medelijden met grote leider Steve Harris die nog meer op zijn schouders moet torsen. Als het tegenslaat, slaat het goed tegen.
X is het Romeinse teken voor tien, het tiende studioalbum. Als tiende album vind ik het gelijkwaardig aan No Prayer for the Dying en Fear of the Dark, het kan nog altijd totaal niet tippen aan de eerste zeven albums zowel met Paul als met Bruce. Daarvoor valt Blaze Bayley met zijn monotone, doffe zang veel te licht uit en toch, op zijn soloalbums komt hij iets beter uit de verf. Hij wordt werkelijk niet geholpen door de kwaliteit van de nummers. Over de speelduur van dit album kan ik twee zaken zeggen, je krijgt wel veel kwantiteit voor je geld maar het duurt o zo verschrikkelijk lang en schiet tekort qua kwaliteit. Opnieuw een diepe zucht ontsnapt mij.