Dat waren altijd aangename middagjes of avondjes: met mijn muziekmaatje van school de laatste nieuwe aanwinst beluisteren. Hij was een grote fan geworden van David Coverdale en daarmee ook van Whitesnake. Nadat we via de fonotheek kennis hadden gemaakt met de drie voorgangers, was
Saints & Sinners hun eerste plaat die hij zelf aanschafte. Zoals altijd wilde hij zijn enthousiasme delen.
Ik was iets sceptischer, omdat de voorgaande drie platen steevast naast edelsteentjes ook fillers bevatten. Het kwam erop neer dat ik op ieder van die albums de helft van de liedjes briljant vond en de andere helft een stuk minder. ‘Maar deze is anders,’ verzekerde hij me zelfverzekerd, ‘hoor maar!’
Het eerste wat opviel was de hoes, die ik nog niet in het echt had gezien: de elpee lag nog maar net in de winkels. Het moet dus eind november 1982 zijn geweest, dat ik de opvallende cover bekeek. Die gaf mij het gevoel dat er iets was veranderd. Het straalde een nieuw elan uit, passend bij de sensuele teksten die Coverdale nogal eens neerpende. De binnenhoes liet wat dat betreft al helemaal niets aan de verbeelding over, met het vrijende heilige-en-zondaar-paartje in een andere houding dan op de cover.
Op de achterzijde geen bandfoto, maar alleen een foto van Coverdale. Waarom dat was, had ik in Oor gelezen, daarover later meer.
Ondertussen denderde de A-zijde uit de groef, de vriend had uiteraard de versterker luid opengedraaid. Kort daarop zou hij ‘m opblazen. De defecte weerstand verscheen vervolgens aan een ketting om zijn nek, bewijs van de charme van luid afgespeelde muziek.
Anders dan voorheen bij Whitesnake had producer Martin Birch de gitaren prominent ingemixt, waardoor de sound niet meer warm in jaren ’70-stijl was. Een pittige sound. Daar kwam bij dat de eerste drie nummers stevig en op hoog tempo rocken en dat alle vijf de composities op de A-kant sterk zijn. Dit was inderdaad beter dan voorheen, terwijl ik de drie voorgangers al lekker vond. Vanaf de eerste gitaarklanken van opener
Young Blood is duidelijk dat de band meer scheurt en energieker klonk. Als er op het vierde nummer iets gas wordt teruggenomen,
Victim of Love is midtempo, blijft de sound stevig. Dan
Crying in the Rain dat met een fraaie bluesgitaar begint, om vervolgens naar die heerlijk slepende riff over te stappen.
Kant B begon ook al zo lekker, met het orgel van Jon Lord in het intro van
Here I Go Again, dat het midden houdt tussen een ballade en een midtempo rocker. Coverdale was hoorbaar in topvorm en liet dat horen, emotioneel geladen en krachtig als nooit tevoren.
Dat Lord keyboards van een nieuwe generatie gebruikt, droeg extra bij aan het opgefriste geluid, daarover waren we het roerend eens. Ondertussen drumt Ian Paice groovy, zoals hij zo goed kan en het basje van Neil Murray danst heerlijk met diens partijen.
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de rest op de B-kant mij minder pakte, maar al met al vond ik de band duidelijk gegroeid ten opzichte van de voorgangers. Steviger, zonder de amoureuze sfeer te verliezen.
Inmiddels heb ik meer met de twee afsluitende liedjes,
Dancing Girls met die heerlijke toetsensolo en de net anders gespelde titelsong. Het bluesachtige gevoel wat in de muziek zit, bevalt mij beter dan ooit.
Zoals B.Robertson in het vorige bericht schrijft, was er hommeles geweest in het land van de Witteslang. De band was kort voor afronding van de opnamen uit elkaar gevallen, vermoeid door teveel feesten en geldgebrek. Dat laatste frustreerde hen, omdat ze inmiddels grote zalen vulden. Eén prangende vraag hield hen bezig: waar bleef het geld? Coverdale was er klaar mee. Hij ontsloeg de manager om zelf de geldzaken op zich te nemen én stuurde bovendien, op Lord na, alle bandleden de laan uit.
Zo kwam het dat bij verschijnen van
Saints & Sinners de bezetting anders was dan op de plaat: de nieuwe jongens waren drummer Cozy Powell, gitarist Mel Galley en bassist Colin Hodgkinson.
Dat drie-vijfde van de band inmiddels was vervangen was ons dus bekend, maar wat deze twee pubers vooral bezighield waren de opgefriste sound en hernieuwde energie die van de plaat spatten.
‘Bloody Luxaflex!’ grapten we in de schoolgangen tijdens de pauzes, als verbastering van het derde nummer op de plaat, een ijzersterke rocker. Op 31 januari ’83 stond de band in
Vredenburg, Utrecht. De vriend kwam met razendenthousiaste verhalen terug en liet zien op welke plek Coverdale zijn microfoon vooral had gehouden. Niet bij zijn mond. Mooie herinneringen, heb nog altijd spijt dat ik niet bij dat concert ben geweest…