Hier een vertaling van het verhaal, wat ik eens op internet heb gevonden.
Vertaling van de tekst van de binnenhoes van The Lamb Lies Down On Broadway/Genesis.
Haal je vingers uit mijn oog. Terwijl ik schrijf wil ik graag een blik werpen op de vlinders in glas die overal aan de muur hangen. De mensen in mijn herinnering zijn verbonden met gebeurtenissen die ik me niet goed meer voor de geest kan halen, maar ik schrijf er een op om hem kapot te zien gaan, te ontbinden en zo een ander soort leven te voeden. De figuur in kwestie is van geheel biologisch afbreekbaar materiaal en staat in de catalogus onder “Rael”. Rael haat mij, ik mag Rael wel – ja zelfs struisvogels hebben gevoel – maar onze relatie is iets waar we allebei mee leren leven. Rael houdt niet van dat verplichte en ik hou van dichten, maar je zult mij niet meer niet meer rechtstreeks zien – hij houdt er niet van als ik in de buurt ben. Dus als dit verhaal niet goed gaat, geef ik misschien wel raad, als ’t gaat (d.w.z. rijmen is de bedoeling, uilskuikens)
Het knipperlicht springt op rood, New York wordt wakker. De vermoeide gasten worden gevraagd de warmte van het 24-uurs theater te verlaten, nadat ze geslapen hebben tijdens films waar anderen alleen maar van dromen. De figuranten verstoren het slapende Broadway. WALK links, DON’T WALK rechts: op Broadway lijken richtingen averechts.
Spookrijders bepalen het tempo voor de vroege wedrennen van de taxichauffeurs.
Genoeg hierover – onze held komt via de roltrap van de ondergrondse naar boven in het daglicht. Onder zijn leren jasje houdt hij een spuitbus vast die de boodschap R-A-E-L in grote letters op de tunnelwand heeft achtergelaten. Voor jou betekent dit misschien niet zoveel, maar voor Rael is het een deel van het proces van “naam maken”. Als je niet eens een rasechte Porto Ricaan bent, is het leven taai en taaien overleven. Met regelmatige blikken over de natte weg controleert hij de bewegingen in de nevel om de potentiële obstakels te herkennen. Hij kan er geen ontdekken en slentert over het voetpad, langs de drogist waar het ijzeren hek zojuist geopend wordt om het lachje van de tandpastareclame te onthullen, langs de dames van de nacht en langs patrouillerend agent Frank Leonowich (48, getrouwd, twee kinderen) die voor de ingang van de pruikenwinkel staat. Agent Leonowich kijkt Rael aan op een manier zoals veel agenten hem aankijken en Rael verbergt gewoon dat hij iets verbergt. Intussen komt uit de nevel een lam dat gaat liggen. Dit lam heeft totaal niet met Rael te maken, of met welk ander lam dan ook – het gaat gewoon op Broadway liggen.
De lucht is bewolkt en als Rael omkijkt, ziet hij een donkere wolk als een ballon neerdalen op Times Square. Het rust op de grond en vervormt zichzelf tot een plat vlak met harde randen dat verhardt en zich oostelijk en westelijk uitstrekt langs de 47e straat tot aan de donkere hemel. Als de muur zich opricht, wordt het een scherm dat driedimensionaal toont wat even daarvoor aan de andere kant heeft bestaan. Het beeld flikkert en barst als geverfde klei en de muur beweegt zich geruisloos voorwaarts, alles opnemend dat het op zijn weg tegenkomt. De nietsvermoedende New Yorkers zijn ogenschijnlijk blind voor wat zich afspeelt.
Rael begint te rennen in de richting van Columbus Circle. Elke keer dat hij durft te kijken, heeft de muur zich weer een blok verplaatst. Net op het moment dat hij denkt dat hij zijn voorsprong op de muur behoudt, waait de wind hard en koud en vertraagt zijn snelheid. De wind wordt sterker, droogt de natte straat en blaast stof op in Rael’s gezicht. Meer en meer stof wordt opgeblazen en het zet zich vast op Rael’s huid en kleren, een passende jas makend die hem geleidelijk tot een angstaanjagende bewegingsloosheid dwingt. Een gemakkelijk doelwit.
Het moment van de inslag doorbreekt de stilte en met een bulderend lawaai rekt de laatste seconde zich in een wereld vol echo’s, alsof het cement en de mortel van Broadway zelf hun herinneringen herbeleven. De laatste grote parade. De journalist jammert krachteloos als publiek en gebeurtenis versmelten. Bing Crosby bromt: ”You don’t have to feel pain to sing the blues, you don’t have to holla – you don’t feel a thing in your dollar collar.” Martin Luther King schreeuwt “Everybody sing!” en luidt de grote oude vrijheidsklok. Leary, moe van zijn gevangenis, loopt op rozen, preekt verdoemenis. J.F.K. geeft het bevel ons neer te schieten, nipt Orange Julius en Lemon Brutus. De cowboy met het ontblote bovenlijf vloert de driedubbele kampioen tweemaal. Wie heeft behoefte aan medische verzorging en 35 cent belastingkorting als Fred Astaire met Ginger Rogers dansen ging? Van stereotype Broadwaymelodieën keert de band terug naar “Stars and Stripes”en tranen wellen in de ogen van de dranksmokkelaar die zijn geest illegaal vernevelt. De Lommerdhouder keert zijn kassa om en prijst zijn geluksdollar wederom. Dan de black-out.
Rael komt weer bij bewustzijn in een soort duister schemerlicht. Hij is warm ingepakt in een soort cocon. Het enige geluid dat hij hoort, is het druppelen van water, dat van een vaal flikkerend licht lijkt te komen. Hij veronderstelt dat hij in een soort grot is, - een betoverende grafkelder of een catacombe of een eierschaal, wachtend om uit de moederschoot te vallen. Wat het ook mag zijn, hij voelt zich fijn en rein en ook sereen als een goed verzorgde kruik met heet water in zijn buik, dus waarom zou hij zich druk maken over wat het betekent? Zich onderwerpend aan het onbekende valt hij in slaap.
Hij wordt wakker, nat van het zweet, met het onbedwingbare gevoel dat hij moet overgeven. Er is geen spoor meer van de cocon en hij kan meer zien van de grot om hem heen. Veel meer glinsterend water drupt van de zoldering en stalagmieten en stalactieten vormen zich en vallen rondom hem uiteen met een ongelofelijke snelheid. Als hij zijn angst en de shock bewust wordt, verzekerd hij zichzelf dat zelfdiscipline hem enige veiligheid kan bezorgen, maar deze gedachte wordt verdrongen aangezien de stalagmieten en stalactieten een vaste positie aannemen en zo een kooi vormen waarvan de tralies op hem afkomen. Op een gegeven moment is er een lichtflits en hij ziet een oneindig groot netwerk van kooien die met een soort touw aan elkaar vastzitten. Als de rotsachtige tralies zijn lichaam in elkaar persen, ziet hij buiten de kooi zijn broer John, die naar binnen kijkt. John’s gezicht is doodstil ondanks de kreten om hulp, maar op zijn uitdrukkingsloze gezicht vormt zich een bloedige traan die over zijn wang drupt. Dan loopt hij rustig weg, Rael alleen latend in zijn gevecht tegen de pijnen die door zijn lichaam gieren. Echter, net als John uit het zicht verdwijnt, lost de kooi op en Rael blijft achter, draaiend als een tol.
Wanneer al het draaien ophoudt, gaat hij op de glanzende goedgepoetste vloer zitten terwijl zijn duizeligheid verdwijnt. Het is een lege moderne entreehal en de verkoopster van droompoppen zit bij de receptie. Zonder aansporing begint ze haar verkoopverhaal: “Dit is de Grote Parade van de Levenloze Verpakkingen, wat u hier zult zien, is hier voor onderhoud, behalve een kleine hoeveelheid van onze nieuwe producten op de tweede etage. Dit is de voorraad die voldoende is om de huidige verplichtingen van de firma na te komen. Verschillende series worden gedistribueerd naar regionale vertegenwoordigers en er zijn genoeg mogelijkheden voor de grote investeerder. Ze zijn er van dure goedverzorgde tot de meest redelijk geprijsde ondervoedden. Wij hebben de ervaring dat het uiterlijk van elk individu ook zijn wezen wordt. Met uitzondering van de goedkope ondervoedden is elk voorzien van de garantie voor een succesvolle geboorte en een zorgeloze jeugd. Er is echter maar een geringe keuzemogelijkheid – niet te ver afwijkend van het gemiddelde. Ziet u, van boven zijn vooraf de handelingsgrenzen van elke groep verpakkingen bepaalt, maar individuen mogen van het pad afwijken als hun omwegen gecompenseerd worden door anderen.”
Als hij langs de rijen verpakkingen loopt, merkt Rael iets bekends op in sommige gezichten. Uiteindelijk komt hij ex-bendeleden tegen en vreest voor zijn eigen veiligheid. Terwijl hij de fabriek uitrent, ziet hij zijn broer John met een nummer 9 op zijn voorhoofd gestempeld.
Niemand schijnt hem achterna te komen en met de bekende gezichten nog vers in zijn geheugen, maakt hij een reconstructie van zijn vroegere leven boven de grond.
Met te veel tijd was ie niet blij, maar met wat dope ging die snel voorbij. Hij had meer in de dood geloofd dan in rondlopen met een sloom hoofd. Zijn vader en moeder hadden hem op z’n huid gezeten, dat was geen leven, zo werd hij al snel naar The Pack gedreven. Pas na een “beurt”in de Pontiac tuchtschool, werd hij in de bende geresPACKteerd. Nu op weg naar huis na een overval, streelt hij een slapend stekelvarken.
Die nacht verbeelde hij zich hoe zijn behaarde hart uit zijn lichaam werd verwijderd en onder begeleiding van zeer romantische muziek werd gladgeschoren door een anoniem edelstalen scheermes. Het kersrode kloppende orgaan werd op de juiste plaats teruggezet en begon sneller te slaan toen het onze held, wiens tijd opraakte, door zijn eerste romantische ontmoeting leidde.
Hij keert terug van zijn verwarrende herinneringen naar de doorgang waar hij eerder in had vastgezeten. Deze keer ontdekt hij een lange gang met tapijt op de grond. De wanden zijn okerrood geschilderd en er hangen vreemde tekens, sommige lijken op de roos van een dartbord, andere op vogels en schepen. Verderop in de gang kan hij enkele mensen zien, allemaal knielend. Zuchtend en mompelend vechten ze in slow motion om bij een houten deur te komen aan het eind. Aangezien hij eerder alleen de levenloze lichamen van de Grote Parade van de Levenloze Verpakkingen heeft gezien, rent Rael naar de mensen om met hen te spreken.
“Wat is hier gaande?” roept hij naar een mompelende monnik die een geeuw onderdrukt en antwoordt, “Het duurt nog lang tot zonsopgang.” Een sfinixachtige kruiper roept zijn Rael en zegt, “vraag het niet aan hem, de pater heeft een kater. Elk van ons probeert de top van de trap te bereiken, want daar wacht ons een uitweg,” Zonder zich af te vragen waarom hij zich vrijelijk kan bewegen, gaat onze held dapper door de deur. Achter een tafel, overladen met eten, bevindt zich een wenteltrap die omhoog door het plafond leidt. Bovenaan de trap vindt hij een kamer. Deze heeft de vorm van een halve bol, met overal rondom deuren. Er bevindt zich een grote menigte, verdeeld in verschillende groepen. Uit het geroep concludeert Rael dat er 32 deuren zijn, maar slechts één die naar buiten leidt. Het rumoer van hun stemmen zwelt aan totdat Rael roept: “koppen dicht!” Even is het stil, maar dan vormt Rael het middelpunt van de belangstelling, want alle adviezen en opdrachten worden verricht aan hun nieuw ontdekte rekruut. Op afval uitgebroed, met as gevoed, moet de puzzelmeester slim wezen en snel doorpezen. Rael ziet een rustig hoekje en snelt er naar toe. Hij staat bij een vrouw van middelbare leeftijd, met een bleke huid, die zachtjes in zichzelf praat. Hij ontdekt dat ze blind is en dat ze om een gids vraagt.
“Wat is het nut van een gids als je nergens naar toe kunt?”vraagt Rael. “Ik moet wel ergens naar toe, “antwoordt ze, “als je me door het rumoer leidt, zal ik je de weg wijzen. Ik ben een grotbewoonster en ik volg de windrichting.”
Hij leidt haar door de kamer en ze verlaten de menigte, die hun vertrek bestempelt als gedoemd om te falen. Als ze door de deur zijn, leidt de vrouw Rael door de tunnel. Het licht van de kamer vervaagt snel en ondanks haar zelfverzekerd lopen struikelt Rael vaak in het donker.
Na een lange wandeling komen ze in wat naar Rael’s oordeel een grote ronde grot is. Ze spreekt een tweede keer en vraagt hem te gaan zitten. Het voelt aan als een koude stenen troon. “Rael, ga hier zitten. Ze komen je zo halen. Wees niet bang.”en zonder verdere uitleg loopt ze weg. Opnieuw moet hij zijn angst onder ogen zien.
Aan zijn linkerkant licht een tunnel op, en hij begint te bibberen. Wanneer het helderder wordt, hoort hij een niet-metaalachtig gonzend geluid. Het licht wordt verblinderd helder en reflecteert wit op de wanden totdat hij in een soort sneeuwblindheid het zicht verliest. Hij raakt in paniek, voelt om zich heen naar een steen en smijt die naar het helderste punt. Het geluid van brekend glas echoot door de grot.
Zodra hij weer kan zien, bemerkt hij twee gouden bollen, van ongeveer 1 voet doorsnee die door de tunnel wegzweven. Wanneer ze verdwijnen weergalmt een dof gekraak over het dak en alles om hem heen stort in. Onze held zit opnieuw in de val. “Dat is het dan”, denkt hij als hij geen van de gevallen rotsen kan bewegen. Er is weinig te beleven voor een ondergrondse Creool, dolend door de grotten van Sheol. “Ik zou liever in duizend stukjes de ruimte ingeslingerd worden, of met helium gevuld boven een mausoleum zweven. Dit is niet de manier om mijn “last subterranean homesick dues” *) te betalen. In elk geval ben ik uit de handen gebleven van een of andere perverse balsemer, die zijn interpretatie geeft van hoe ik eruit zou zien, zijn katoen in mijn wangen proppend.”
Uitgeput door zijn speculaties, krijgt onze held de kans van zijn leven om zijn held te ontmoeten: De Dood. De Dood draagt een kleine vermomming, die hij zelf gemaakt heeft. Hij noemt het “de bovennatuurlijke anesthesist” De Dood houdt van mensen ontmoeten en van reizen. De Dood nadert Rael met zijn speciale trommeltje, laat een rookwolkje los en lijkt tevreden weg te wandelen door de muur.
Rael raakt zijn gezicht aan om zich ervan te overtuigen dat hij leeft. Hij schrijft De Dood af als een illusie, maar bemerkt een zware parfumlucht. Hij gaat naar de hoek waar de geur het sterkst is en ontdekt een scheur in het puin waardoor het naar binnen komt. Hij probeert de stenen te verschuiven en maakt tenslotte een opening die groot genoeg is om door te kruipen. Aan de andere kant is de geur nog sterker en met hernieuwde energie probeert hij de bron ervan te vinden. Uiteindelijk bereikt hij een rijkelijk versierde roze waterpoel. Deze is overdadig getooid met gouden beslag. De muren rondom de poel zijn bedekt met kastanjebruin fluweel waarop kamperfoelie groeit. Door de nevel ziet hij rimpelingen op het water. Drie slangachtige wezens zwemmen naar Rael toe. Elk reptielachtig schepsel heeft een klein hoofdje en de borsten van een mooie vrouw. Zijn afschuw maakt plaats voor dwaze verliefdheid als hun zachte groene ogen hem welkom heten. De Lamia nodigen hem uit het zoete water te proeven en vlug gaat hij de poel in. Zodra hij wat doorslikt, drupt een vaalblauwe oplichtende vloeistof van zijn huid. De Lamia likken de vloeistof op; heel zacht in het begin en bij elke nieuwe aanraking voelt hij de behoefte om meer en meer te geven. Ze masseren zijn vlees totdat zijn botten lijken te smelten en op het moment dat hij voelt dat hij niet verder kan, knabbelen ze aan zijn lichaam. Zodra ze de eerste druppels van zijn bloed binnen krijgen, worden hun ogen zwart en schudden hun lichamen. Radeloos en vervuld met hopeloze hartstocht ziet hij hoe zijn minnaressen sterven. In een wanhopige poging om wat van hen over is in zijn wezen te brengen, eet hij hun lichamen op en worstelt om het nest van zijn geliefden te verlaten.
Hij gaat weg door dezelfde deur als waardoor hij gekomen was en vindt aan de andere kant een soort monstergetto. Als ze hem zien, barst de hele straat misvormde figuren in lachen uit. Een van de leden van de kolonie komt naar hem toe. Hij is in alle opzichten grotesk, een mengeling van lelijke knobbels en stompjes. Zijn lippen wippen over zijn kin als hij Rael glimlachend verwelkomt en een glibberige handdruk geeft. Rael is een beetje teleurgesteld wanneer de Slipperman onthult dat de hele kolonie één voor één dezelfde glorieuze romantische tragedie heeft doorgemaakt met dezelfde drie Lamia, die elke keer opnieuw herleven en dat Rael nu deelt in hun fysieke voorkomen en hun schimmig lot.
Tussen de verwrongen gezichten van de Slippermannen herkent Rael zijn broer John, of wat er van over is. Ze omhelzen elkaar. John legt verbitterd uit dat het leven van de Slippermannen gewijd is aan het bevredigen van de oneindige honger van de zintuigen, wat ze van de Lamia geërfd hebben. Er is slechts één ontsnappingsmogelijkheid; een gevreesd bezoek aan de dokter Dyper, die de bron van de problemen zal verwijderen, of, om het mindere beleefd te zeggen, castreren.
Ze bespreken de zogenaamde ontsnapping en besluiten om samen naar de dokter te gaan. Ze overleven de beproeving en krijgen de aanstootgevende wapens aangeboden in steriele gele plastic tubes met een gouden ketting. “Mensen dragen ze gewoonlijk om de nek”, zegt de dokter als hij ze overhandigt. “De operatie sluit het gebruik van het apparaat niet noodzakelijkerwijs uit, voor korte perioden althans, maar vanzelfsprekend moet u ons dan ruim van te voren op de hoogte brengen, als u daarvan gebruik wenst te maken”. Terwijl de broers hun hachelijke toestand bespreken vliegt een grote zwarte raaf de grot binnen, hij stort zich neer, grijpt Rael’s tube uit zijn handen en neemt het in zijn bek mee de lucht in. Rael smeekt John met hem mee te gaan.
En deze antwoordt: “Ik achtervolg geen zwarte raaf. Hier beneden moet je de voortekens lezen en gehoorzamen. Als de raaf vliegt, brengt dat rampspoed”. En opnieuw verlaat John zijn broer.
De vogel leidt Rael door een nauwe tunnel; het lijkt alsof hij hem de gelegenheid geeft om dichtbij te blijven. Maar juist als Rael denkt dat hij de vogel bijna kan vangen, verbreedt de tunnel zich en eindigt bij een enorm ondergronds ravijn. Terloops laat de raaf zijn kostbare lading in het bruisende water onder hem vallen. Zoiets is genoeg om een arme jongen aan de rand van de afgrond te brengen.
Hij ziet de gevaren van de stijlen klif en zo staat onze moedige held impotent en nors voor zich uit te staren. Hij volgt een smal pad dat over de top leidt en ziet de tube op en neer dansen in het water terwijl de sterke stroming het wegvoert. Echter als hij een hoek omgaat, ziet hij een luik boven zich, blijkbaar in de oeverwal gebouwd. Er doorheen, kan hij thuis zien+ nou niet precies, hij ziet Broadway. Zijn hart, nu wat borstelig klopt heftig door een golf van vreugde en hij begint te rennen, met armen wijd uitgestrekt naar de uitweg. Precies op dat moment hoort hij een stem die om hulp schreeuwt. Iemand worstelt in de stroomversnelling onder hem. Het is John. Hij aarzelt even als eraan denkt dat zijn eigen broer hem verlaten had. Dan begint het luik te vervagen - tijd om te handelen.
Hij rent naar de klippen en klautert van de rotsen naar beneden. Hij doet er lang over voor hij beneden bij het water is, terwijl hij tegelijkertijd de stroming probeert bij te houden. Als hij de rand van het water nadert, ziet hij dat John aan het eind van zijn krachten is. Hij duikt het koude water in . In eerste instantie wordt hij op de rotsen gesmeten en onder water getrokken door de snelle stroming die hem stroomafwaarts langs John voert. Rael ziet kans een rots te grijpen, zich boven water te hijsen en op adem te komen. Wanneer John langs drijft, springt Rael weer in het water en grijpt de arm van John. Hij slaat John bewusteloos, houdt hem stevig vast en laat zich door de stroomversnelling meevoeren tot in rustig water, waar hij naar veiligheid kan zwemmen.
Als hij zijn broer´s levenloze lichaam naar de kant sleept, legt hij hem plat op zijn rug en kijkt hem hoopvol in zijn ogen voor een teken van leven.
Ontzet deinst hij terug, want het gezicht dat hem met open ogen aankijkt, is niet dat van John - maar zijn eigen gezicht.
Rael kan zich niet van die ogen losmaken, gebiologeerd door zijn eigen beeltenis. Met snelle bewegingen springt zijn bewustzijn van het ene gezicht naar het andere en weer terug, tot zijn aanwezigheid niet langer vast met één van beiden verbonden is.
In deze vloeibare toestand observeert hij beide lichamen, geel afgetekend, terwijl het omliggende landschap tot een paarse nevel versmelt. Met een plotselinge energiestoot door beide ruggengraten verdwijnen hun lichamen tenslotte ook in de nevel.
Dit alles gebeurt zonder een enkele zonsopgang, zonder dat een bel luidt en zonder dat er bloesem uit de hemel valt. Toch vult HET alles met zijn mysterieuze bedwelmende aanwezigheid. HET is jouw beurt.
*) woordspelling op Bob Dylan’s nummer met dezelfde titel.
Tekst : Peter Gabriel
Vertaling : Marcel van Dommelen