Met mijn lidmaatschap van de plaatselijke fonotheek én de groeiende platencollectie van een leeftijdsgenoot kon ik vanaf 1980 naar eerdere albums van onze favoriete bandjes speuren. Samen ontdekten we muziek uit het verleden, voor ons gloednieuw. Na mijn aanschaf van
Back in Black kochten we beiden nieuwe platen én gingen we het “oude” werk uitspitten.
Omdat ik niet meer weet op welke volgorde die zoektocht plaatsvond, bespreek ik deze op chronologische volgorde van verschijning. In het geval van AC/DC betekent dat aftrappen met
High Voltage uit '76. Wát een debuut! Het begint al bij de achterkant van de hoes. Scháterlachen moest ik om de brieven die daarop staan afgedrukt. (Let op, ik heb het over
deze versie. Het gemopper hierboven is zéér terecht. De frontcover die MuMe toont, zag je toen nergens, later nergens, nimmer kwam ik 'm tegen. Bovendien te lelijk voor woorden.)
Als je het dan ook nog flikte om je openingstrack te larderen met een doedelzaksolo, dán had je ons! Hoe gewaagd, op een hardrockplaat nog wel, waar de gitaarsolo als de heilige graal geldt... Met zijn slimme riff en de herkenbare, brutale stem van Bon Scott was
It’s a Long Way to the Top meteen een klassieker.
De plaat staat vól met dit soort vrolijk stemmende tracks, vaak met verhalen die in mijn puberleventje herkenbaar waren.
“You can stick in silly rules and all the other shit, they teach the children at schools”. Ja, dat vond ik ook! Verder beperkte mijn protest zich tot mopperen over huiswerk en een gebalde vuist op mijn slaapkamer, waar de plaat luid klonk.
Langzamer zijn de bluesjes
The Jack en op de B-kant
Little Lover, de laatste met een fraaie surprise na het slot. Lekker, maar de uptempo songs waren mijn favorieten.
Meer hoogtepunten: het simplistische basintro van Mark Evans in
Live Wire, de afsluiter van kant A. Hoe swingt de groove die vervolgens ontstaat… Ik had je in die discojaren voor gek verklaard, als je had beweerd wat ik nu doe: dit is Betere Dansmuziek.
Meebrullen kan op het
“Oi!” koortje in
T.N.T., kennelijk een gevleugelde uitdrukking: in Londen ontstond eind jaren ’70 Oi-punk, wat datzelfde kom-maar-op-als-je-durft-gevoel heeft. De titelsong sluit de plaat af, stemt alweer vrolijk, een tekst die over mij ging en een refrein dat ik met geheven vinger meezong. De verhalen van Scott, doorspekt met Australische slang: het meeste kon ik verstaan en ik begreep de knipoogjes.
Wat ons toen onbekend was, is dat dit eigenlijk hun derde plaat is; een combi van muziek van hun eerste twee Australische releases van het jaar ervoor, vooral van tweede werpsel
T.N.T. Ook wisten we niet dat Bon de tweede zanger van de band was, met
voorganger Dave Evans zaten er bovendien glaminvloeden in de muziek. In het tijdperk vóór internet bleef dit soort informatie buiten beeld, tenzij je toevallig het juiste nummer van het juiste tijdschrift kocht, waarin iemand dit oplepelde.
45 jaar na verschijning blijft dit een heerlijk plaatje. Snelle liedjes, zoals ze die op volgende albums zouden zetten, ontbreken. Angus’ solo’s zijn nog niet zo snel als later – maar wel degelijk pakkend. Door de homogene productie van Vanda & Young hoor je niet dat de liedjes van twee albums komen, knap gedaan. De gitaren, hard doch transparant. Hoe effectief en strak stuurde Malcolm Young dit beest aan, samen met Phil Rudd en Evans, loeistrak als een metronoom en bovendien heerlijk swingend. Eerlijke rock ‘n’ roll, uitgaande van de licks van Chuck Berry, de grondlegger die je in die jaren nog op Hilversum 3 hoorde.
Wat het extra leuk maakt: vijftien jaar geleden, op een zomerse dag in Wallonië, klonk
It’s a Long Way… opeens op radiostation Classic 21, ik had het jaren niet gehoord. Onmiddellijk kwam de puber in mij naar boven: wij tegen de wereld, we konden alles en iedereen aan. Ik legde het mijn kinderen uit, ze keken me meewarig aan...
‘Wie-uw!’ roep ik met Bon, terwijl de plaat wegsterft, waarna ik kant A weer eens opleg. Als streaming, dat wel… Voor de hoes ga ik toch eens op zoek naar het ouderwetsch vinyl.