‘Expecting perfection leaves a lot to ignore’
‘Who ever said it’s all been said/ gave up on satisfaction’ zingt Eddie Vedder, in de eerste albumopener van Pearl Jam in zeven jaar. Het lijkt net zo goed een strijdkreet voor hemzelf. Want ondanks hun nog steeds grote achterban, en inmiddels legendarische status, zijn de leden van Pearl Jam natuurlijk ook fossielen van een periode in de muziek die inmiddels dertig jaar achter ons ligt. Wat hebben ze nog niet gezegd? Als Vedder op ‘Seven O’Clock’ uitdrukking geeft aan zijn walging over Trump, klinkt er ook een soort vermoeide melancholie in door: wéér een rechtse president om kwaad op te worden.
Anders dan ‘Dance of the Clairvoyants’ deed vermoeden, gooit Pearl Jam het niet écht over een andere boeg. Meest opvallende verschil met de vorige twee platen is dat er niet meer gewerkt wordt met producer Brendan O’Brien. Gezien de rol die O’Brien vaak speelde om de band scherp en kritisch te houden, zou je het ergste vrezen, qua zelfgenoegzaamheid. Het valt mee: Gigaton heeft een opener, wijdser geluid dan de voorgangers, minder beknopt en, ja: daardoor soms langdradig. Maar juist die losse aanpakt helpt voorkomen dat de plaat wegzakt in de gezapigheid die voorganger Ligtning Bolt dwarszat.
Gigaton moet het vooral hebben van deze gelaagde, wat meer gruizige aanpak, waarin de individuele bandleden vaak de kans krijgen om te stralen (vooral Cameron en Ament). Wie verwachtte dat Pearl Jam zich helemaal opnieuw zou uitvinden, of nog steeds hoopte op een tweede Ten, komt natuurlijk van een koude kermis thuis. Mensen met meer realistische verwachtingen horen een plaat met een aantal sterke punten, van een band die trouw wil blijven aan zichzelf, maar het ook interessant wil houden.
Dat alles is een vooruitgang op de saaie voorganger van bijna zeven jaar terug. Maar: zeven jaar! In die periode bracht de band in hun begintijd ongeveer hun eerste vijf platen uit, en die waren allemaal eigenlijk sterker dan Gigaton, een plaat met een handvol 4*-tracks, maar zeker op de tweede helft ook een paar dipjes. Het blijft toch een beetje knagen dat een band met vijf componisten niet een páár topsongs meer had kunnen bedenken in die tijd. Dat houdt voor mij de plaat vooralsnog onder de 4*
‘Who Ever Said’
Dat het eerste nummer uptempo is zal niemand die bekend is met de band verbazen, sterker nog: voor Pearl Jam-begrippen is dit nog een vrij bedeesde opener. Vrij lang nummer ook, met name de break had eigenlijk wel wat knipwerk kunnen gebruiken. Heel aardig liedje verder, niet per se wereldschokkend briljant, maar wel gelaagder en knapper in elkaar gezet dat ik bij de eerste luisterbeurt dacht. Vooral de bubbelende ritmesectie is fijn. Die eigenschappen blijken trouwens allemaal exemplarisch voor de rest van het album.
‘Superblood Wolfmoon’
Veel mensen die nieuwsgierig werden door eerste single ‘Dance of the Clairvoyants’ leken bij deze tweede single weer af te haken. In eerste instantie was ik ook niet zo enthousiast: het leek op halfbakken garagepunk, zonder echt refrein met in plaats daarvan een Vedder die nogal onnozel het puberdrama uit ‘Last Kiss’ recyclet: ‘Superblood wolfmoon, took her away too soon…’
Bij herhaalde beluistering ging de in intensiteit toenemende snauw waarmee Vedder zingt alsnog behoorlijk in mijn systeem zitten, net als de retestrakke groove die de band neerzet. Hoofdrollen zijn er voor Matt Cameron en een behoorlijk vuige Mike McCready, misschien wel met een van zijn betere gitaarsolo’s. Behoorlijk lekker nummer, eigenlijk.
‘Dance of the Clairvoyants’
De eerste single was tot verrassing van velen min of meer een pastiche op Talking Heads, gedreven door een fijn artrock ritme, en een lekker wave-gitaartje van gelegenheidsgitarist Jeff Ament. Het zou niet per se een hoogtepunt zijn geweest op
Fear of Music, maar er zitten veel leuke ideeën in verwerkt, en de band stapt met hoorbaar plezier uit hun comfort zone. In de context van het album werkt het nummer nog beter, als afwisseling tussen het vuige riffwerk in deze fase van de plaat.
‘Quick Escape’
Compositie van Ament, en direct misschien één van zijn beste voor Pearl Jam. ‘Quick Escape’ is misschien nét niet het beste nummer op het album, maar kan zeker uitgroeien tot livefavoriet, met zijn beukende gitaren en drums (weer glansrollen van Cameron en McCready), en een makkelijk mee te scanderen refrein. Net als het spierballenvertoon in de banaliteit dreigt weg te zakken, zorgt een sterke break voor diepgang.
‘Alright’
Een liedje dat zelfs helemaal (tekst en muziek) door Jeff Ament is geschreven, die op deze plaat een flink creatief aandeel opeist. Ament is nooit mijn favoriete componist geweest, ook omdat hij soms meer lijkt te zijn geïnteresseerd in sfeer dan in melodie. Op
Gigaton, dat het sowieso meer moet hebben van opbouw en gelaagdheid dan van sterke hooks en popliedjes, lijkt hij zich als een vis in het water te voelen. ‘Alright’ is als liedje wel oké, maar de interessante geluidswereld op de achtergrond maakt het écht de moeite waard. Fijn ook dat het een van de weinige liedjes is die onder de vier minuten blijft.
‘Seven O’ Clock’
Schimmige gitaren en keyboards over een strakke groove, met een mooie, zalvende zanglijn van Vedder. Wordt hier en daar al gezien als fanfavoriet, maar op andere plekken ook afgedaan als slap Springsteen-aftreksel. Ik vind het wel een mooi nummer, al moest ik wel een beetje wennen aan het prozac-tempo van de eerste vier minuten. Op het laatst wordt het gelukkig wat gepassioneerder, maar dan hoor je in de ‘hee, hee,’ van Vedder wel dat zijn stembanden ook geen 25 meer zijn. Dat is echter allemaal detailkritiek, net als dat je heel cynisch kunt doen over de politieke boodschap. Onder de streep gewoon een prima song, waar de meeste Pearl Jam-fans wel blij mee moeten zijn.
‘Never Destination’
Fijn moment op de plaat voor een ouderwetse garagepunker, en zo geschiedde. Mensen die Pearl Jam graag verwijten niet vernieuwend te zijn, vinden hier genoeg munitie: hier gebeurt werkelijk niets wat je al niet op de platen van Little Richard kon aantreffen. Verder wel een leuk rock ’n roll-liedje, al komt de energie vooral van Vedders vocalen en van de ritmesectie. De gitaarpartijen blijven een beetje grijzig, waardoor een echte krachtstoot uitblijft.
‘Take the Long Way’
Zoals gebruikelijk staat er ook een compositie van drummer Matt Cameron op de plaat. Wederom een nummer dat intrigeert door zijn dwarsigheid. De wat meer gelaagde, gruizige productie van het album doet de ideeën van Cameron wel goed, en met wat slimme koortjes in het refrein wordt een liedje van de drummer zowaar bijna poppy. Bijna dan, he.
‘Buckle up’
De enige solocompositie van gitarist Stone Gossard is gelijk het raarste nummer van het album. En dat bedoel ik niet als compliment. Een weeïg, wazig stukje psychedelica, dat zich in een totaal eigen, autistisch universum lijkt te bevinden, los van de sfeer van het album. Rare tekst, apatische zang, kitschy gitaartjes… Tsja, wat moet je hier nou van maken? Het is in ieder geval het kortste nummer van het album…
‘Comes Then Goes’
Deze akoestische ballade (Vedder solo?) krijgt meer lading omdat het kennelijk een ode is van Vedder aan zijn overleden vriend Chris Cornell. Fuck ja, denk ik dan, zo lang is het geleden dat Pearl Jam nog een album uitbracht: tijdens de laatste was Chris Cornell nog in leven. Twintig jaar geleden noemde men Pearl Jam al ‘grunge-survivors’, maar nu heeft die term toch wel een hele macabere bijsmaak gekregen...
Op zich kan ‘Comes Then Goes’ zich wel meten met eerder akoestisch werk van Vedder, zoals ‘Off He Goes’, of de
Into The Wild-soundtrack, al is het nummer wel weer aan de lange kant, en qua structuur wat eenvormig. Het is in ieder geval stukken beter dan zijn
requiem voor Layne Staley, al kan het niet tippen aan zijn (waarschijnlijke)
grafschrift voor Kurt Cobain.
‘Retrograde’
Een nieuwe vrucht van het componistenduo McCready/ Vedder, uit wiens pennen ook ‘Can’t Deny Me’ kwam, de schreeuwerige single uit 2018 die het album niet haalde. Deze is er dan weer eentje met veel rinkelende gitaren en Grote Gevoelens. Ondanks driftig gestuiptrek in de laatste twee minuten om je nog een beetje de suggestie van een climax te geven, blijf ik achter met de indruk van wat té makkelijk liedje, waarin de twee songwriters leunen op wat ze al vaker en beter hebben gedaan. Jammer, een echte kraker in de traditie van ‘Given to Fly’ of ‘Present Tense’ had deze plaat zomaar nog naar vier sterren kunnen tillen. Dit is echter meer de categorie ‘Inside Job’ of ‘Sirens’: vakwerk zonder echte brille.
‘River Cross’
Net als veel momenten op deze plaat, roept deze politiek getinte pomporgel-ballad sterke associaties op met Neil Young. Teleurstelling over de staat van de wereld, en melancholie over de vergankelijkheid van alles lijken om voorrang te vechten in Vedders strot. Op smaak gebracht door tribale bas en drums, wordt er meer gekreund dan gehuild: zelfs als het nummer op het einde wat opbloeit met koortjes en strijdkreten gebeurt dat redelijk subtiel. ‘Share the light, won’t hold us down’, herhaalt Vedder, op een toon alsof hij het liefst terug in bed zou duiken. Het benadrukt alleen maar de breekbare kracht van deze fraaie treurzang, die het album een meer dan waardig einde geeft.